windoriëntatie – kb1

Windoriëntatie betekent dat je kunt herkennen waar de wind vandaan komt en hoe de boot ten opzichte van die wind ligt. Dat klinkt misschien eenvoudig, totdat je midden op de plas zit en de boot draait, het vaantje beweegt en de wind ineens uit een andere hoek lijkt te komen.

Bij Kielboot 1 leer je de wind vooral waarnemen. Je kijkt naar vlaggen, rimpels en golfjes, voelt de wind langs je gezicht en luistert naar het geluid rond je oren en de verstaging. Vervolgens verbind je die waarnemingen aan de boot. Aan welke kant komt de wind binnen? Waar staat het grootzeil? Moet je naar de wind toe of juist ervan af draaien?

Wind kun je niet zien, maar gelukkig verraadt hij zichzelf voortdurend.

Waarom is dit belangrijk?

De wind is de motor van een zeilboot. Om veilig en gecontroleerd te varen, moet je weten waar die motor vandaan duwt. De windrichting bepaalt welke koers je kunt varen, aan welke kant het zeil staat en of je moet oploeven of afvallen. Ook bij overstag gaan, gijpen, afvaren en aankomen gebruik je steeds je gevoel voor de wind.

Zonder goede windoriëntatie reageer je vaak te laat. Je trekt bijvoorbeeld de schoot aan terwijl de boot juist van de wind af draait, of je probeert rechtstreeks naar een punt te varen dat in de wind ligt. De boot helpt je dan meestal door langzamer te gaan varen, scheef te hangen of luid met de zeilen te klapperen. Zij heeft geen woorden nodig om te laten merken dat je plan verbetering verdient.

Door de wind goed te herkennen, krijg je meer controle over de koers en de zeilstand. Manoeuvres worden rustiger, je kunt beter vooruitkijken en je begrijpt sneller waarom de boot reageert zoals zij doet. Dat maakt zeilen veiliger, zelfstandiger en vooral leuker.

Leerdoelen

Na dit onderdeel kun je op verschillende manieren bepalen waar de wind vandaan komt. Je kunt daarbij kijken naar aanwijzingen op het water en aan de wal, maar ook voelen en horen wat de wind doet.

Je kunt de loefzijde en lijzijde van de boot aanwijzen. Je weet dat de loefzijde de kant is waar de wind de boot binnenkomt en dat de lijzijde de kant is waar de wind de boot verlaat. Je herkent ook de hogerwal als de wal waar de wind vandaan komt en de lagerwal als de wal waar de wind naartoe waait.

Tijdens het varen kun je aangeven of de wind van voren, van opzij of van achteren komt. Je begrijpt dat naar de wind toe draaien oploeven heet en dat van de wind af draaien afvallen heet. Ook herken je aan de zeilen, de helling en de druk op het roer of je waarneming ongeveer klopt.

Uitleg

Theorie

De windrichting is de richting waar de wind vandaan komt. Een westenwind komt dus uit het westen. Voor Kielboot 1 hoef je aan boord niet voortdurend met kompasrichtingen te werken. Belangrijker is dat je de wind kunt aanwijzen ten opzichte van de boot en de omgeving.

De kant waar de wind de boot binnenkomt, heet de loefzijde of hoge kant. De tegenoverliggende kant, waar de wind de boot verlaat, heet de lijzijde of lage kant. Tijdens het zeilen staat het grootzeil normaal gesproken aan lij. Draait de boot door de wind, dan wisselen loef en lij van kant.

Hetzelfde principe gebruiken we bij de wal. De hogerwal is de wal waar de wind vandaan komt en de lagerwal is de wal waar de wind naartoe waait. Bij een langswal waait de wind ongeveer langs de wal. Deze begrippen zijn belangrijk bij het hijsen en strijken van de zeilen en bij het afvaren en aankomen.

Je koers beschrijft hoe de boot ten opzichte van de wind vaart. Komt de wind recht van voren, dan ligt de boot in de wind en kunnen de zeilen geen blijvende voortstuwing leveren. Komt de wind schuin van voren, dan vaar je aan de wind. Bij halve wind komt de wind van opzij, bij ruime wind schuin van achteren en voor de wind recht van achteren.

Draai je met de boeg naar de wind toe, dan loef je op. Draai je met de boeg van de wind af, dan val je af. Terwijl de boot draait, blijft de wind buiten de boot ongeveer uit dezelfde richting komen. Het is dus de boot die van richting verandert. Dat klinkt logisch aan de wal, maar voelt aan boord soms alsof de wind een eigen rondje om de boot maakt.

Uitvoering

Bepaal de windrichting eerst wanneer je nog aan de wal staat of wanneer de boot stilligt. Kijk naar een wapperende vlag, het vaantje in de mast, bewegende takken, riet of rook. Op het water kun je letten op kleine rimpels, golfjes en schuimstrepen. Gebruik bij voorkeur meerdere aanwijzingen. Eén enthousiaste vlag kan namelijk achter een gebouw in een plaatselijke draaikolk van lucht hangen.

Voel daarna de wind. Draai je hoofd langzaam heen en weer. Wanneer de wind aan beide kanten ongeveer gelijk langs je gezicht of oren stroomt, kijk je tegen de wind in. Wapperende haren zijn ook bruikbaar, al is dat meetinstrument niet voor iedere zeiler even ruim beschikbaar.

Je kunt de wind bovendien horen. Luister naar het suizen langs je oren en naar het geluid van de wind rond de mast en stagen. Bij meer wind voel je ook druk in de schoten en in de helmstok. De boot kan gaan hellen en versnellen. Zo gebruikt een zeiler niet één waarneming, maar ogen, oren, huid en handen tegelijk.

Heb je de windrichting gevonden, wijs dan een herkenbaar punt aan de horizon aan. Dat kan een boom, gebouw, kerktoren of andere vaste markering zijn. De wind zelf is onzichtbaar, maar zo geef je de richting tijdelijk een adres. Draait de boot daarna, dan kun je controleren of de wind nog steeds uit de richting van dat punt komt.

Tijdens het varen kijk je ook naar de zeilen. Als je oploeft en te dicht naar de wind stuurt, ontstaat bij het voorlijk een tegenbolling en begint het zeil te killen. Stuur je nog verder op, dan gaan de zeilen klapperen en neemt de snelheid af. Val je af, dan kan het zeil verder naar buiten en moet de schoot worden gevierd. De juiste zeilstand vind je door het zeil te vieren tot het net begint te killen en het vervolgens een klein stukje aan te trekken.

Veiligheid

Windoriëntatie is niet alleen bedoeld om sneller te zeilen. Je gebruikt haar ook om gevaarlijke situaties te herkennen. Wanneer je voor de wind vaart en te ver afvalt, kan de wind aan de andere kant van het grootzeil komen. De giek kan dan onverwacht en met kracht overkomen. Dat heet een klapgijp. Let daarom op de windrichting, de stand van het grootzeil en het gedrag van de fok.

Blijf tijdens oefeningen altijd om je heen kijken. Staar niet zo lang naar het vaantje dat de rest van de scheepvaart uit beeld verdwijnt. Maak liever een vaste kijkronde: andere schepen, windrichting, koers, zeilstand en bemanning. Daarna begint de ronde opnieuw.

Oefen het aanwijzen van de wind eerst op rustig en ruim water. Houd voldoende afstand van oevers, obstakels en andere vaartuigen. Volg bij twijfel de aanwijzingen van de instructeur. Windoriëntatie leer je door te experimenteren, maar wel graag op een plek waar een kleine vergissing niet meteen eindigt in spontaan tuinieren in het riet.

Praktische aandachtspunten

Gebruik niet slechts één aanwijzing. Het vaantje kan tijdens het varen een andere richting aangeven dan het riet of de golven. Dat komt doordat je aan boord ook wind voelt die ontstaat door de snelheid van de boot. Daardoor lijkt de voelbare wind meer van voren te komen. Voor Kielboot 1 hoef je dit nog niet uitgebreid te berekenen. Het is voldoende dat je begrijpt waarom verschillende aanwijzingen soms niet precies hetzelfde vertellen.

Een eenvoudige oefening is om eerst de windrichting naar een vast punt aan de horizon aan te wijzen. Vaar daarna verschillende koersen en wijs steeds opnieuw naar hetzelfde punt. De boot draait, maar de windrichting blijft ongeveer gelijk.

Een tweede oefening is varen naar een herkenbaar doel. Kijk ondertussen wat er met het grootzeil gebeurt. Loef langzaam op en voel hoe de druk verandert. Laat de zeilen kort killen en val daarna weer iets af. Wat voel je aan de helmstok? Wordt de boot rustiger of juist schever? Door kleine koerswijzigingen te maken, ontwikkel je sneller gevoel voor de wind dan door lang naar een getekende windroos te kijken.

Je kunt ook samen oefenen. Eén bemanningslid wijst de windrichting aan, een tweede controleert de vlaggen, golven of het riet en de roerganger vaart richting het aangewezen punt. Klapperen de zeilen recht boven het midden van de boot, dan ligt de boeg ongeveer in de wind.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je actief naar de omgeving kijkt en niet uitsluitend naar het vaantje. Kun je de wind herkennen aan het water, de vlaggen en het riet? Kun je daarna een vast punt aan de horizon aanwijzen? Ook wordt gekeken of je begrijpt dat de boot draait terwijl de windrichting buiten de boot ongeveer gelijk blijft.

Tijdens het sturen let de instructeur op je reactie wanneer de zeilen beginnen te killen. Herken je dat je te hoog stuurt? Val je rustig iets af en komt de druk daarna terug? Bij een ruimere koers moet je herkennen dat het zeil verder naar buiten kan. Wordt de boot onnodig scheef of voelt de helmstok zwaar, dan kan het zeil te strak staan.

Zelf let je op de wind in je gezicht, het voorlijk van de fok en het grootzeil, de helling van de boot en de druk op de schoot en de helmstok. Je luistert naar het verschil tussen een rustig gevuld zeil en luid geklapper. Herken je het moment waarop de boot na een kleine correctie weer versnelt? Dat is de boot die op haar eigen elegante manier zegt: “Ja, zo bedoelde ik het.”

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is dat een beginnende zeiler alleen naar het vaantje kijkt. Tijdens het varen kan het vaantje een andere richting laten zien dan de wind die je aan het riet of de golven waarneemt. Gebruik daarom meerdere aanwijzingen en controleer de richting regelmatig aan een vast punt aan de horizon.

Een tweede fout is denken dat de wind draait zodra de boot van koers verandert. Meestal draait vooral de boot. Wijs voor de koerswijziging de windrichting aan en controleer die na de draai opnieuw. Zo zie je dat jouw positie ten opzichte van de wind is veranderd.

Ook proberen cursisten soms rechtstreeks naar een bovenwinds punt te sturen. De boot komt dan te dicht in de wind, de zeilen gaan killen en de snelheid verdwijnt. Val iets af tot de zeilen weer vullen. Een bestemming die recht in de wind ligt, bereik je niet rechtstreeks maar door aan de wind te varen en zo nodig overstag te gaan.

Een andere bekende fout is de schoot te strak houden tijdens het afvallen. Het grootzeil blijft dan dicht bij de boot, de boot kan meer hellen en het sturen wordt zwaarder. Vier bij het afvallen eerst gecontroleerd wat schoot en stuur daarna rustig verder van de wind af.

Tot slot kijken beginners vaak lang naar hun handen of de helmstok. Daardoor verdwijnen koers, wind en andere schepen uit beeld. Kijk vooral vooruit naar een vast doel. Je handen hoeven niet voortdurend bekeken te worden. Ze lopen zelden zonder toestemming weg.

Samenvatting

Windoriëntatie begint met waarnemen. Je kijkt naar vlaggen, vaantjes, riet, bomen, rimpels en golfjes. Je voelt de wind in je gezicht, hoort hem langs je oren en merkt zijn kracht aan de schoten, de helmstok en de helling van de boot.

De loefzijde is de kant waar de wind de boot binnenkomt en de lijzijde is de kant waar de wind de boot verlaat. Naar de wind toe draaien heet oploeven en van de wind af draaien heet afvallen. Door steeds een herkenbaar punt in de richting van de wind aan te wijzen, leer je onderscheiden wat de wind doet en wat de boot doet.

Goede windoriëntatie helpt je om de juiste koers en zeilstand te kiezen. Je manoeuvres worden rustiger, veiliger en beter voorspelbaar. Na voldoende oefening hoef je nauwelijks meer bewust te zoeken. Je voelt gewoon waar de wind zit.

“Je kunt de wind niet zien, maar een zeiler weet altijd waar hij uithangt.”