Tijdens het zeilen werken verschillende krachten op de boot. De wind duwt tegen de zeilen, het water remt de boot af en de kiel voorkomt dat de boot zomaar zijwaarts wegschuift. Voor Kielboot 1 hoef je hiervan nog geen ingewikkelde natuurkundeles te maken. Je moet vooral begrijpen en voelen wat de fok en het grootzeil met de boot doen en herkennen wanneer de zeilen verkeerd staan.
Trekt de boot naar de wind toe? Klappert het zeil? Of moet je opvallend hard aan de helmstok trekken? De boot geeft voortdurend aanwijzingen. Je hoeft alleen nog te leren luisteren. Gelukkig spreekt een kielboot behoorlijk duidelijk, al gebruikt hij vooral klapperende zeilen en een trekkend roer.
Waarom is dit belangrijk?
Als je begrijpt wat de zeilen met de boot doen, kun je gemakkelijker oploeven, afvallen en een rechte koers varen. Je gebruikt dan niet alleen het roer, maar laat de fok en het grootzeil meehelpen. Dat geeft meer controle, kost minder kracht en zorgt ervoor dat de boot minder wordt afgeremd.
Ook de juiste zeilstand is belangrijk. Een te los of te strak zeil levert minder voortstuwing op. Je vaart langzamer en moet vaak meer corrigeren met het roer. Met goed afgestelde zeilen voelt de boot rustiger aan, neemt de snelheid toe en wordt sturen een stuk eenvoudiger. Voor Kielboot 1 staat daarom centraal dat je de sturende werking van fok en grootzeil kent en een onjuiste zeilstand kunt herkennen.
Leerdoelen
Na afloop kun je uitleggen dat de fok een afvallende werking heeft en het grootzeil een oploevende werking. Je begrijpt dat je de zeilen kunt gebruiken om het sturen met het roer te ondersteunen. Je kunt herkennen of een zeil te los of te strak staat en je kunt de juiste zeilstand vinden door de schoot te vieren tot het voorlijk net begint te killen en vervolgens weer iets aan te trekken. Tijdens het varen leer je bovendien letten op de snelheid, de druk in de schoot en de reactie van de helmstok.
Uitleg
Theorie
De wind oefent kracht uit op de zeilen. Deze kracht zorgt ervoor dat de boot beweegt, maar kan de boot ook laten draaien. De fok staat vóór het draaipunt van de boot. Wanneer de fok wind vangt, wordt de voorkant van de boot van de wind af geduwd. De boot gaat dan afvallen.
Het grootzeil werkt vooral achter het draaipunt. Wanneer het grootzeil wind vangt, wordt de achterkant van de boot van de wind af geduwd. Daardoor draait de boeg juist naar de wind toe. De boot gaat dan oploeven.
Je kunt dit onthouden met twee eenvoudige zinnen:
Fok trekt de boeg van de wind af.
Grootzeil laat de boeg naar de wind toe draaien.
Als beide zeilen goed staan, werken hun krachten samen en kan de boot ongeveer rechtdoor varen. Dat betekent niet dat je het roer niet meer nodig hebt. De zeilen helpen het roer, zodat je minder grote roeruitslagen hoeft te maken.
Uitvoering
Zoek tijdens de praktijk een ruime en rustige plek op het water. Vaar bijvoorbeeld halve wind met beide zeilen eerst iets te los. Trek daarna alleen de fok aan en laat het grootzeil grotendeels klapperen. Je zult merken dat de boeg van de wind af wil draaien. Dat is de afvallende werking van de fok.
Doe vervolgens het tegenovergestelde. Laat de fok vieren en trek het grootzeil aan. De boot zal naar de wind toe willen draaien. Dat is de oploevende werking van het grootzeil. De instructeur houdt tijdens deze oefening de omgeving en de koers goed in de gaten.
Deze werking kun je gebruiken bij een koersverandering. Wil je oploeven, dan trek je tijdens het draaien de zeilen geleidelijk aan. Het grootzeil helpt de boot naar de wind toe. Wil je afvallen, dan vier je vooral het grootzeil. Daardoor werkt het grootzeil de draai niet tegen. De fok kan de afvallende beweging ondersteunen.
De zeilstand moet steeds passen bij de koers:
- Bij aan de wind staan de zeilen relatief strak.
- Bij halve wind staan de zeilen verder naar buiten.
- Bij ruime wind worden de zeilen nog verder gevierd.
- Bij voor de wind staat het grootzeil ver uit.
De eenvoudigste manier om de juiste zeilstand te vinden is:
- Vier de schoot rustig.
- Kijk naar het voorlijk, de voorkant van het zeil.
- Zodra daar een kleine tegenbolling ontstaat, staat het zeil iets te los.
- Trek de schoot weer een klein stukje aan.
- Stop zodra de tegenbolling verdwijnt.
Het zeil staat dan zo ruim mogelijk, zonder dat het voorlijk kilt.
Veiligheid
Oefen de sturende werking van de zeilen alleen op ruim en rustig vaarwater. Kijk eerst of er voldoende afstand is tot andere boten, de wal en ondieptes. Tijdens de oefening kan de boot onverwacht oploeven of afvallen.
Houd de schoten beheerst in de hand en blijf met je vingers uit de buurt van blokken en klemmen. Laat een schoot niet ongecontroleerd door je handen schieten. Bij meer wind kan er flink wat kracht op staan.
Blijf tijdens koersveranderingen ook op de giek letten. Wanneer je ver afvalt richting voor de wind, kan de giek onverwacht overkomen als je binnen de wind raakt. Laat je daarom begeleiden door de instructeur en voer de oefening rustig uit.
Praktische aandachtspunten
Kijk niet alleen naar het zeil. Voel ook wat er gebeurt. Een goed werkend zeil geeft een gelijkmatige spanning op de schoot. De boot maakt vaart en het water begint hoorbaar langs de romp te lopen. Aan de helmstok voel je slechts een beperkte druk.
Staat het zeil te los, dan ontstaat bij het voorlijk een tegenbolling. Het zeil kan gaan klapperen en de snelheid neemt af. Staat het zeil te strak, dan stroomt de lucht niet meer goed langs het zeil. Ook dan neemt de voortstuwing af. In sommige lesmaterialen wordt klapperen bij het achterlijk genoemd als herkenbaar signaal van een te strakke zeilstand.
Probeer regelmatig een klein stukje te vieren. Wordt de boot sneller, dan stond het zeil waarschijnlijk te strak. Begint het voorlijk te killen, trek de schoot dan weer een klein beetje aan. Zo blijf je steeds zoeken naar de stand waarin de boot het gemakkelijkst vaart.
Observatiepunten tijdens de praktijk
De instructeur let erop of je de reactie van de boot herkent. Wanneer alleen de fok kracht levert, moet je kunnen benoemen dat de boot wil afvallen. Wanneer vooral het grootzeil kracht levert, herken je dat de boot wil oploeven. Ook kijkt de instructeur of je tijdens een koersverandering de schoot op het juiste moment aantrekt of viert.
Zelf let je op het voorlijk van het zeil, de spanning op de schoot, de snelheid van de boot en de druk aan de helmstok. Een zeil dat net niet kilt, een boot die goed vaart en een helmstok die niet hard trekt, zijn signalen dat de samenwerking tussen koers, zeilstand en roer in orde is.
Maak tijdens het varen steeds dezelfde kijkronde: omgeving, windrichting, koers, zeilstand en bemanning. Daarmee voorkom je dat je zo aandachtig naar één klein rimpeltje in het zeil kijkt dat je ondertussen een complete steiger over het hoofd ziet.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is uitsluitend met het roer sturen. Bij het afvallen blijft het grootzeil dan strak staan en probeert het grootzeil de boot juist te laten oploeven. Je voelt steeds meer druk aan de helmstok en de boot wordt afgeremd. Vier daarom tijdens het afvallen het grootzeil mee.
Bij het oploeven gebeurt soms het tegenovergestelde. De boot draait naar de wind toe, maar de zeilen blijven te ver gevierd. Ze gaan klapperen en de boot verliest snelheid. Trek de zeilen daarom geleidelijk aan terwijl je oploeft.
Beginnende zeilers trekken een klapperend zeil soms meteen heel strak. Daarmee verdwijnt het klapperen, maar het zeil kan vervolgens te strak staan. Trek de schoot daarom alleen aan tot het killen stopt. Verder aantrekken maakt het touw korter, maar niet automatisch de zeiler sneller.
Een andere fout is alleen naar het zeil kijken. Blijf ook vooruit en om je heen kijken. De boot moet goed varen, maar het blijft belangrijker dat je niet enthousiast met een perfect getrimd zeil tegen een andere boot aan vaart.
Samenvatting
De wind levert de kracht waarmee de kielboot vaart en draait. De fok heeft een afvallende werking: hij helpt de boeg van de wind af te draaien. Het grootzeil heeft een oploevende werking: het helpt de boeg naar de wind toe te draaien. Bij het oploeven trek je de zeilen geleidelijk aan en bij het afvallen vier je ze.
Een goede zeilstand vind je door de schoot te vieren totdat het voorlijk net begint te killen en daarna weer een klein beetje aan te trekken. Let daarbij niet alleen op wat je ziet, maar ook op wat je voelt aan de schoot en de helmstok. Hoe beter de zeilen en het roer samenwerken, hoe rustiger en gemakkelijker de boot vaart.
“Laat de wind het zware werk doen, maar vertel hem wel waar jullie naartoe gaan.”
