optuigen en aftuigen – kb2

Optuigen is het klaarmaken van de kielboot om te kunnen zeilen. Aftuigen is het veilig opruimen van zeilen, vallen en losse materialen, zodat de boot beschermd en gebruiksklaar achterblijft. Bij Kielboot 2 voer je deze handelingen steeds zelfstandiger uit. Je volgt niet alleen een vast rijtje, maar controleert ook of alles goed is aangesloten, vrij kan bewegen en veilig kan worden gebruikt.

De precieze uitvoering verschilt per boottype. In deze uitleg gebruiken we een open kielboot met fok en gaffelgrootzeil, zoals een Valk. Bij Kielboot 2 horen het zeilklaar en nachtklaar maken en het stilliggend hijsen en strijken van de zeilen tot de praktijkvaardigheden.

Waarom is dit belangrijk?

Een goed opgetuigde boot zeilt voorspelbaar. De vallen lopen vrij, de schoten zitten aan de juiste kant, de fok kan zonder vastlopen worden bediend en het grootzeil kan veilig worden gehesen. Een fout aangesloten val of een fokkenschoot die onder een landvast doorloopt, merk je vaak pas wanneer je wilt afvaren. Dat is precies het moment waarop je liever niet alsnog een nautische puzzel oplost.

Goed aftuigen beschermt het materiaal tegen slijtage, vocht en klapperen. Het zorgt er ook voor dat de volgende bemanning niet begint met het ontwarren van lijnen die tijdens de nacht een eigen sociaal netwerk hebben gevormd.

Op Kielboot 2 leer je daarom systematisch werken. Je controleert de inventaris, herkent beschadigingen, kiest zo nodig vooraf voor een rif en zorgt dat alle spullen een vaste en veilige plaats hebben. Een opgeruimde boot is geen schoonheidswedstrijd. Het is een boot waarop je snel kunt handelen zonder over lijnen, zeilbandjes of een verdwaalde mik te struikelen.

Leerdoelen

Na afloop kun je een kielboot zelfstandig zeilklaar en nachtklaar maken. Je kunt de huik verwijderen en correct opbergen, de kraanlijn, piekeval en klauwval herkennen en op de juiste plaats aanslaan, de fok gereedmaken en de schoten correct inscheren.

Je kunt vóór het hijsen controleren of de boot veilig ligt, de lijnen vrijlopen en de bemanning buiten de baan van de gaffel blijft. Je kunt het grootzeil en de fok gecontroleerd hijsen en strijken, de vallen correct beleggen en zonder kinken opschieten.

Na het varen kun je het grootzeil netjes opdoeken, de fok beschermen, de vallen rammelvrij wegwerken, de giek en gaffel op de mik leggen en de boot schoon, droog en compleet achterlaten. Bij Kielboot 2 wordt verwacht dat je deze handelingen niet alleen kent, maar ook zelfstandig in een logische en veilige volgorde uitvoert.

Uitleg

Theorie

Optuigen bestaat uit alle handelingen waarmee je de boot gereedmaakt om te zeilen. Aftuigen bestaat uit het strijken, beschermen en opruimen van de tuigage, zodat het schip zonder schade kan blijven liggen. Nachtklaar maken gaat dus verder dan alleen de zeilen laten zakken. Ook de vallen, kraanlijn, huik, inventaris en netheid van de boot horen erbij.

Bij een gaffelgetuigde kielboot gebruik je voor het grootzeil twee vallen. De piekeval bedient het bovenste deel van de gaffel en bepaalt mede de hoek waarin de gaffel staat. De klauwval hijst de klauw, het voorste deel van de gaffel bij de mast. De kraanlijn ondersteunt de giek bij het verwijderen van de mik en tijdens het hijsen en strijken.

De kraanlijn heeft daarbij een belangrijke veiligheidsfunctie. De bemanning blijft tijdens het hijsen en strijken aan de kant van de kraanlijn, zodat de gaffel niet onverwacht op iemand terechtkomt. De boot ligt daarbij met de boeg nagenoeg in de wind, zodat het grootzeil zo weinig mogelijk wind vangt.

Uitvoering

Voorbereiden en controleren

Begin met een rondgang door de boot. Controleer of de boot schoon en droog genoeg is om veilig te kunnen werken. Kijk vervolgens of de inventaris compleet is en inspecteer lijnen, sluitingen, zeilen en bevestigingspunten op zichtbare beschadigingen.

Bepaal ook of de zeilvoering bij de omstandigheden past. Als een rif nodig is, bereid je dit bij voorkeur voor voordat je uitvaart. Controleer daarnaast of voor ieder bemanningslid een passend reddingsvest aanwezig is en of iedereen kleding heeft die bij veranderende omstandigheden past.

Zeilklaar maken

Verwijder de huik zonder hem over een nat of vuil dek te slepen. Vouw hem zo op dat de buitenkant tegen de buitenkant komt en berg hem op een vaste plaats op. Zo blijft de schone binnenzijde schoon en ligt de huik tijdens het varen niet in de weg.

Controleer daarna welke lijnen door de mast lopen. Bij de beschreven gaffeltuigage zit van hoog naar laag de kraanlijn, piekeval en klauwval. Sla de kraanlijn aan op het uiteinde van de giek, de piekeval op de spruit van de gaffel en de klauwval op de klauw. Controleer sluitingen en borgingen voordat je spanning op de lijnen zet.

Zet de kraanlijn door totdat de giek net wordt gedragen. Haal daarna de mik of schaar onder de giek vandaan en berg deze veilig op. De giek hoort nu door de kraanlijn te worden ondersteund en niet op de bemanning te leunen. Een giek is tenslotte een uitstekend zeilonderdeel, maar een matige hoofdsteun.

Maak de fok gereed. Hang de fokkeval vooraf klaar, bevestig de schoot en halshoek en sla, wanneer de boot dit systeem gebruikt, de leuvers van onder naar boven aan. Laat de fok niet in het water komen. Voer de fokkenschoten door de leiogen en leg in de uiteinden een achtknoop, zodat de schoten niet onverwacht door de ogen lopen. Bij een rolfok controleer je of de rol- en inhaallijn vrij kunnen bewegen.

Controleer ten slotte de kuip. Vallen, schoten en landvasten moeten vrijlopen. Zeilbandjes worden opgeborgen en de kuipvloer blijft vrij. Vraag jezelf vóór vertrek af: als ik nu moet strijken of een lijn snel moet vieren, kan dat dan zonder eerst drie andere lijnen opzij te leggen?

Grootzeil hijsen

Leg de boot met de boeg nagenoeg in de wind en zorg dat hij niet tegen de wal kan komen. Laat de bemanning aan de kant van de kraanlijn plaatsnemen.

Maak de grootschoot los, verwijder de zeilbandjes en laat de kraanlijn de giek dragen. Hijs daarna met de piekeval de gaffel tot ongeveer 45 graden. Hijs vervolgens de piekeval en klauwval samen. Zet de piekeval tijdelijk vast, hijs de klauwval door en beleg deze. Stel daarna de piekeval zo af dat een lichte plooi van de nokhoek naar de halshoek loopt. Zet zo nodig de halstalie door en vier de kraanlijn voldoende, zodat deze het zeil tijdens het varen niet hindert.

Beleg de vallen zorgvuldig en schiet ze zonder kinken op. Laat een val nooit los voordat deze betrouwbaar is belegd. Controleer daarna of het zeil vrij van stagen, lijnen en andere obstakels staat.

Hijs of ontrol de fok pas wanneer dit past bij de afvaart. Een klapperende fok maakt veel lawaai, communiceert lastig en slijt onnodig. Bovendien kan een fok die wind vangt de boeg van de wind af laten draaien.

Aftuigen en nachtklaar maken

Leg de boot vóór het strijken weer met de boeg nagenoeg in de wind. Rol of strijk de fok en zorg dat deze niet in het water valt. Zet vervolgens de kraanlijn door, zodat de giek wordt gedragen.

Maak de belegging van de piekeval en klauwval gecontroleerd los. Houd beide vallen onder controle en vier ze hand over hand. Laat lijnen niet door je handen glijden. Wanneer de klauw van de gaffel bij de giek komt, begeleid je de gaffel verder naar beneden en leg je hem rustig op de giek. De bemanning blijft aan de zijde van de kraanlijn.

Vang het grootzeil op en trek het achterlijk naar achteren, zodat een ruime zak ontstaat. Laat de rest van het zeil daarin zakken en rol het pakket evenwijdig aan de giek op. Let daarbij op de zeillatten. Zet het zeil vast met zeilbandjes die gemakkelijk losgemaakt kunnen worden.

Plaats de mik terug en laat de giek en gaffel daarop rusten. Maak de vallen los van het zeil en werk ze rammelvrij weg langs de mast of rond het want. Schiet de schoten op en hang ze op hun vaste plaats. Breng de huik zonder plooien aan en gebruik alle aanwezige bevestigingslijntjes.

Maak de boot schoon en droog. Controleer of losse inventaris is opgeborgen, of de zelflozers passend zijn ingesteld en of geen lijnen in het water hangen. Loop ten slotte nog één rondje. Een goede eindcontrole is vaak het verschil tussen “klaar” en “morgen eerst problemen oplossen”.

Veiligheid

Werk bij het hijsen en strijken met de boeg nagenoeg in de wind. Zorg dat het schip niet tegen de wal kan komen en dat de bemanning aan de kant van de kraanlijn blijft. De gaffel beweegt tijdens het hijsen en strijken door de kuip en kan bij onzorgvuldig werken tegen iemand aankomen.

Houd altijd spanning en controle op de vallen. Leg geen vingers tussen lijn en kikker of nagelbank. Controleer voordat je een lijn doorzet of deze nergens om een hand, voet, sluiting of ander onderdeel ligt. Een val die zwaar blijft lopen, vraagt niet automatisch om sterkere armen. Vaak vraagt hij om beter kijken.

Laat de boot niet onbeheerd achter met klapperende vallen of losse zeilen. Controleer ook of de mik stevig staat, de huik goed vastzit en losse inventaris niet kan wegwaaien of vollopen.

Praktische aandachtspunten

Werk altijd in dezelfde logische volgorde, maar blijf kijken naar het systeem van de boot waarop je vaart. De exacte bevestiging van vallen, fok en huik kan per kielboot verschillen. Controleer daarom eerst hoe de tuigage is ingericht en volg de afspraken die voor de betreffende lesboot gelden.

Verdeel de taken. Eén persoon controleert en bedient de vallen, een ander maakt de fok gereed en een derde controleert kuip en inventaris. Bij Kielboot 2 moet iedereen uiteindelijk alle taken kunnen uitvoeren. Wissel daarom regelmatig van rol.

Gebruik het geluid van de boot als controlemiddel. Een rammelende val, klapperende fok of tikken van een losse sluiting vertelt dat iets nog niet goed is opgeborgen of bevestigd. Ook weerstand in een val geeft informatie. Voelt de val plots zwaar, stop dan en kijk waar hij blijft hangen. Harder trekken is zelden de elegantste oplossing.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je zelfstandig een vaste werkwijze volgt en vóór het optuigen de boot, inventaris en lijnen controleert. Ook wordt bekeken of je de vallen herkent, op de juiste plaats bevestigt en controleert of sluitingen en borgingen goed zitten.

Tijdens het hijsen let de instructeur op de positie van de boot ten opzichte van de wind, de plaats van de bemanning, het ondersteunen van de giek met de kraanlijn en het gecontroleerd bedienen van piekeval en klauwval. Het grootzeil moet zonder vastlopen omhooggaan en de gaffel wordt zo gesteld dat een lichte plooi van nok naar hals zichtbaar blijft.

Zelf let je op het gevoel in de vallen. Een vrijlopende val beweegt gelijkmatig. Een plotselinge blokkade, schurende lijn of scheef trekkende gaffel betekent dat je moet stoppen en controleren. Na het optuigen horen de kuip en nagelbank ordelijk te zijn en moeten lijnen direct bruikbaar blijven.

Bij het aftuigen kijkt de instructeur of je de zeilen beheerst laat zakken, het grootzeil netjes opvangt en alle materialen beschermend opbergt. Een goed nachtklaar gemaakte boot is schoon, droog, rammelvrij en compleet.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is de mik verwijderen voordat de kraanlijn de giek draagt. De giek zakt dan onverwacht naar beneden. Zet daarom eerst de kraanlijn door, controleer of deze werkelijk draagt en verwijder pas daarna de mik.

Ook worden piekeval en klauwval soms verwisseld of aan het verkeerde punt bevestigd. Bekijk vóór het aanslaan waar iedere val uit de mast komt en welk deel van de gaffel ermee wordt bediend. Trek nooit zomaar aan een lijn om te ontdekken wat er gebeurt wanneer er mensen onder de gaffel zitten.

Een andere fout is hijsen terwijl de grootschoot nog vaststaat. Het grootzeil kan dan niet vrij bewegen en kan onverwacht wind vangen. Maak de schoot vóór het hijsen los en controleer of hij vrijloopt.

Soms wordt de fok te vroeg gehesen of uitgerold. Hij klappert dan luid, hindert de communicatie en kan de boeg laten afvallen. Maak de fok gereed, maar zet hem pas bij wanneer de situatie en afvaart daarom vragen.

Bij het strijken worden de vallen nogal eens te snel losgelaten. Daardoor komt de gaffel ongecontroleerd naar beneden. Vier de vallen altijd hand over hand en blijf het zeil en de gaffel begeleiden.

Tot slot wordt de boot soms “ongeveer” opgeruimd. Vallen blijven tegen de mast slaan, natte zeilen verdwijnen onder de huik en lijnen worden met kinken opgeschoten. Neem de laatste controle serieus. De beste manier om prettig aan een nieuwe zeildag te beginnen, is de vorige netjes af te sluiten.

Samenvatting

Bij Kielboot 2 tuig je de boot steeds zelfstandiger op en af. Je controleert vooraf de inventaris, tuigage en veiligheidsmiddelen. Daarna verwijder en berg je de huik op, sluit je kraanlijn en vallen correct aan, maak je de fok gereed en zorg je dat alle lijnen vrijlopen.

Voor het hijsen ligt de boot met de boeg nagenoeg in de wind. De kraanlijn ondersteunt de giek, de bemanning blijft aan de veilige zijde en de piekeval en klauwval worden gecontroleerd bediend. Na het varen strijk je de zeilen beheerst, doek je het grootzeil netjes op en werk je vallen, schoten, huik en inventaris rammelvrij en beschermd weg.

Het belangrijkste verschil met Kielboot 1 is de zelfstandigheid. Je voert niet alleen de stappen uit, maar begrijpt ook wat je controleert, herkent afwijkingen en herstelt problemen voordat ze tijdens het varen lastig worden.

“Wie netjes optuigt, zeilt eerder. Wie netjes aftuigt, wordt morgen opnieuw vriendelijk door zijn boot begroet.”