Hijsen en strijken lijkt op het eerste gezicht vooral een kwestie van lijnen aantrekken en vieren. Op Kielboot 3-niveau komt er meer bij kijken. Je voert de handelingen zelfstandig uit, zowel stilliggend als varend, en kiest bewust de juiste koers, zijde en taakverdeling.
Bij een gaffelgetuigde kielboot werk je met de piekenval, klauwval en kraanlijn. Ondertussen moet de stuurman de boot beheerst houden, blijft de bemanning veilig aan loef en houd je het overige vaarverkeer in de gaten. Vooral bij bruggen en lagerwalmanoeuvres merk je dat goed hijsen of strijken eigenlijk een complete vaarmanoeuvre is.
Waarom is dit belangrijk?
Een zeil dat tijdens het hijsen wind vangt, wordt zwaar, klappert en trekt de boot uit de gewenste richting. De giek en gaffel kunnen onverwacht bewegen, terwijl de bemanning juist met vallen en zeilbandjes bezig is. Door de boot goed ten opzichte van de wind te leggen, haal je de druk uit het zeil en blijft de manoeuvre beheersbaar.
Op Kielboot 3-niveau moet je niet alleen de standaardvolgorde kennen. Je moet ook kunnen inschatten hoeveel ruimte en tijd de bemanning nodig heeft, welke boeg het gunstigst is en wat wind, golven en luwtes met de boot doen. Dat is bijvoorbeeld belangrijk bij het passeren van een brug of bij het aankomen aan lagerwal.
Vlot werken betekent daarbij niet dat je moet haasten. Het betekent dat alles voorbereid is en dat iedereen weet wat hij moet doen. Een goede bemanning lijkt tijdens het hijsen bijna saai georganiseerd. Dat is een compliment. Paniek is tenslotte geen officieel onderdeel van het lopend want.
Leerdoelen
Na afloop kun je de fok en het grootzeil zelfstandig en veilig hijsen en strijken. Je kunt dit stilliggend uitvoeren met de boeg nagenoeg in de wind en varend op een geschikte aan-de-windse koers.
Je kunt de piekenval, klauwval en kraanlijn correct gebruiken en het gaffelzeil zo stellen dat de juiste plooi van de nokhoek naar de halshoek loopt. Je kunt de taken over de bemanning verdelen, de geschikte boeg kiezen en beoordelen hoeveel tijd, ruimte en vaart voor de manoeuvre nodig zijn.
Je herkent bovendien wanneer een val blijft haken, een zeil ongewenst wind vangt of de boot door een fout gekozen koers te sterk verlijert. In plaats van harder aan de lijn te trekken, kun je de oorzaak vinden en de manoeuvre veilig herstellen.
Uitleg
Theorie
Om een zeil zonder grote belasting te hijsen of te strijken, moet het zo weinig mogelijk wind vangen. Stilliggend betekent dit dat de boeg nagenoeg in de wind ligt. Varend gebeurt het doorgaans op een aan-de-windse koers. De stuurman bewaakt daarbij niet alleen de koers, maar ook de vaart. Zonder voldoende vaart verliest het roer werking en kan de boot sterk verlijeren. Vaar je te ruim, dan blijft het grootzeil druk houden en wordt het bedienen van de vallen zwaar en onrustig.
Bij een gaffelzeil heeft de klauwval vooral invloed op de hoogte van de klauw en daarmee op de positie van de giek. De piekenval bepaalt de stand van de gaffel. Door beide vallen samen te hijsen, komt het zeil gecontroleerd omhoog. Vervolgens zet je eerst de klauwval goed door en stel je met de piekenval de gaffel af.
De kraanlijn ondersteunt de giek en vormt tijdens het hijsen en strijken een veiligheidslijn aan loef. Door de bemanning aan de zijde van de kraanlijn te laten werken, bevindt zij zich niet onder de bewegende gaffel. Kies daarom vóór een varende manoeuvre bewust over welke boeg je gaat varen. De kraanlijn moet aan de toekomstige loefzijde zitten.
Bij Kielboot 3 hoort ook inzicht in de volgorde van de zeilen. In de standaardsituatie hijs je het grootzeil voordat je de fok hijst of uitrolt. De fok heeft een afvallende werking en kan de boeg tijdens het hijsen uit de wind trekken. In een specifieke varende situatie kan de fok juist worden gebruikt om eerst vaart te maken, waarna je oploeft en het grootzeil hijst. De keuze hangt af van koers, ruimte, wind en bestuurbaarheid.
Uitvoering
Voorbereiding
Bedenk eerst het volledige parcours. Waar begin je met voorbereiden? Waar wil je hijsen of strijken? Hoeveel tijd heeft de bemanning nodig? Wat gebeurt er als een val blijft haken? En waar ligt de veilige uitwijkruimte?
Controleer daarna of de vallen vrijlopen en niet om stag, kraanlijn of elkaar zijn gedraaid. Leg de zeilbandjes klaar. Maak de vallen zo gereed dat ze direct bediend of vrij gevierd kunnen worden. Controleer ook of de grootschoot los kan, de halstalie bediend kan worden en de mik veilig verwijderd of geplaatst kan worden.
Verdeel de taken duidelijk. Eén persoon stuurt en bewaakt koers, vaart en verkeer. Een ander bedient de vallen. Een derde kan het zeil begeleiden, de fok bedienen en mee uitkijken. Geef korte opdrachten en laat de bemanning terugmelden wanneer een handeling klaar is.
Stilliggend hijsen
Leg de boot met de boeg nagenoeg in de wind. Zorg dat zij tijdens het hijsen niet tegen de wal of een ander schip kan komen. Laat de bemanning voorin of aan de zijde van de kraanlijn plaatsnemen.
Maak de grootschoot los en verwijder de zeilbandjes. Controleer of het zeil vrij kan uitvouwen. Hijs de gaffel met de piekenval eerst tot ongeveer 45 graden. Hijs daarna de piekenval en klauwval samen, met grote, rustige halen.
Beleg de piekenval tijdelijk zonder de controle over beide vallen te verliezen. Zet vervolgens de klauwval door totdat klauw en giek op de juiste hoogte staan. Beleg de klauwval en stel daarna de piekenval. Bij een goed gehesen gaffelzeil loopt een lichte plooi van de nokhoek naar de halshoek. Een plooi van klauwhoek naar schoothoek wijst erop dat de piek te laag staat.
Maak de halstalie vast en controleer de rijglijn of rakbanden. Vier de kraanlijn voldoende zodat zij het gehesen zeil niet vervormt. Schiet ten slotte alle vallen zonder kinken op en leg de kuip vrij.
Daarna kan de fok worden gehesen of uitgerold. Bij een losse fok trek je de val beheerst door, striets je de lijn indien nodig en beleg je de val. Laat het zeil niet in het water komen. Bij een rolfok controleer je eerst of de rolfoklijn en beide schoten vrijlopen.
Stilliggend strijken
Leg de boot opnieuw nagenoeg in de wind. Strijk of rol in de standaardsituatie eerst de fok. Daarmee voorkom je dat de fok de boeg tijdens het strijken laat afvallen.
Zet de kraanlijn door en laat de bemanning aan de loefzijde werken. Neem piekenval en klauwval stevig in de hand voordat je de belegging losmaakt. Vier beide vallen hand over hand. Laat de lijnen nooit ongecontroleerd door je handen glijden.
Begeleid de gaffel totdat de klauw op of bij de giek ligt. Laat daarna de piek verder zakken en leg de gaffel beheerst op de giek. Plaats de mik, verzamel het zeil en zet het vast met de zeilbandjes. Zorg dat de zeillatten niet knikken en dat het doek niet over een vuil dek of door het water sleept.
Varend hijsen
Zoek vooraf voldoende vrij vaarwater. Kies een aan-de-windse koers waarop de boot beheersbaar blijft en zorg dat de kraanlijn aan loef staat. Laat één zeilbandje met een slipsteek zitten totdat werkelijk gehesen wordt. Leg de vallen, fokkenschoot en grootschoot gebruiksklaar.
De stuurman houdt een constante koers en voldoende vaart. De bemanning maakt het laatste zeilbandje los en hijst het grootzeil zoals bij de stilliggende uitvoering. Vervolgens wordt de fok gehesen of uitgerold en wordt de boot geklaard.
Bij koersen hoger dan halve wind ligt het voor de hand eerst het grootzeil en daarna de fok te hijsen. Bevindt de boot zich op een lagere koers of moet vanaf lagerwal eerst vaart worden gemaakt, dan kan de fok eerder worden gebruikt. Daarna loef je op naar een positie waarin het grootzeil veilig kan worden gehesen. Deze variant vraagt een goede planning, omdat de fok de boot laat afvallen.
Kijk tijdens de manoeuvre vooruit. Waar wordt het water smaller? Komt er een brug, bocht of tegenligger aan? Je kunt technisch prachtig hijsen en toch op een verrassend verkeerde plek uitkomen.
Varend strijken
Bereid de manoeuvre ruim van tevoren voor. Leg de zeilbandjes klaar, maak de vallen vrij om uit te lopen en zet de kraanlijn aan de toekomstige loefzijde. Kies een voldoende lang en vrij aan-de-winds rak.
De stuurman houdt koers en snelheid terwijl de bemanning de fok zo nodig strijkt of inrolt. Zet daarna de kraanlijn door. Neem beide grootzeilvallen in handen, maak de belegging los en vier de vallen hand over hand. Haal het grootzeil aan loef binnen en zet het zo snel mogelijk met zeilbandjes vast.
Plaats de mik zodra dat veilig mogelijk is. Ruim daarna de vallen op zonder dat de stuurman het overzicht verliest. Tijdens deze handeling kan het zicht naar voren worden beperkt. De bemanning moet daarom actief mee uitkijken.
Veiligheid
Kies eerst een veilige plek en pas daarna de perfecte uitvoering. Een rustig stuk vaarwater of een voldoende lange luwte is belangrijker dan koste wat kost op het oorspronkelijk gekozen punt beginnen.
Laat de kraanlijn altijd aan loef staan en houd de bemanning aan die zijde. Zo vormt de kraanlijn een afscheiding tussen de bemanning en de gaffel. Niemand staat onder de gaffel of in de baan waarin deze kan vallen.
Laat vallen nooit los voordat ze betrouwbaar belegd zijn. Bij het strijken houd je beide vallen vast voordat je een belegging losmaakt. Vier lijnen hand over hand en niet glijdend door je vingers. Houd handen weg van blokken en korvijnagels zodra er spanning op een lijn komt.
Blijf tijdens varend hijsen en strijken voortdurend uitkijken. Als de vaarweg niet meer vrij is, breek je de manoeuvre af of stel je haar uit. Bij een probleem blijft de eerste prioriteit het veilig varen van het schip, niet het redden van een mooi geplande lesoefening.
Praktische aandachtspunten
Werk met grote, rustige halen. Kleine rukjes kosten tijd en veroorzaken sneller kinken. Voel je plotseling veel weerstand, stop dan. Kijk omhoog en volg de lijn tot aan het bevestigingspunt. Een val die achter een beslagdeel zit, wordt niet slimmer van harder trekken.
Let op het geluid. Een vrijlopend zeil en een goed draaiend blok maken een regelmatig geluid. Hard klapperen, schavielen of een plotselinge tik zijn signalen om de handeling te controleren.
Kijk bij varend hijsen verder dan de boeg. Beoordeel waar de volgende vlaag of luwte ligt. Wat voel je aan het roer? Wordt het lichter omdat de snelheid wegvalt, of neemt de druk toe doordat het grootzeil al wind vangt? Deze signalen helpen je om de koers tijdig aan te passen.
Oefen niet alleen bij ideaal weer. Kies onder begeleiding ook situaties met meer wind, verschillende koersen en beperkte maar veilige ruimte. Varend hijsen en strijken wordt pas een Kielboot 3-vaardigheid wanneer je de omstandigheden kunt analyseren en niet alleen een volgorde uit je hoofd uitvoert.
Observatiepunten tijdens de praktijk
Een instructeur let op de voorbereiding vóórdat de eerste lijn wordt bediend. Is het vaarwater vrij, zijn de taken verdeeld en heeft de schipper bewust een boeg gekozen waarop de kraanlijn aan loef zit? Ook kijkt de instructeur of de cursist voldoende vooruitdenkt. De manoeuvre moet passen binnen de beschikbare ruimte en tijd.
Tijdens het hijsen wordt gelet op grote, beheerste halen, het gelijktijdig bedienen van piekenval en klauwval en het vasthouden van beide vallen tijdens het beleggen. Het zeil moet vrij omhooggaan zonder dat iemand onder de gaffel staat. De uiteindelijke plooi hoort van nokhoek naar halshoek te lopen.
Bij het strijken moet de cursist de vallen hand over hand vieren en het zeil aan loef binnenhalen. De gaffel wordt begeleid en valt niet ongecontroleerd op de giek. De boot blijft ondertussen op een veilige koers en de stuurman houdt voldoende uitzicht, eventueel met hulp van een uitkijkende bemanning.
De cursist let zelf op de druk in de vallen, het geluid van het zeil en de reactie van de boot. Gaat de boeg afvallen, dan vangt de fok mogelijk nog wind. Wordt het grootzeil zwaar, dan vaart de boot waarschijnlijk te ruim of staat de grootschoot niet voldoende los. Herken je deze signalen op het water voordat iemand ze aanwijst?
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is hijsen terwijl de boot te ruim ligt. Het grootzeil vangt dan tijdens het hijsen al wind, waardoor de vallen zwaar lopen en de giek krachtig opzij beweegt. Herstel dit door de boot verder op te loeven en pas door te hijsen zodra de druk uit het zeil is.
Ook wordt de verkeerde boeg gekozen, waardoor de kraanlijn aan lij staat. De gaffel kan dan naar de bemanning vallen. Bepaal daarom vóór de manoeuvre de toekomstige loefzijde en leg de boot zo nodig over de andere boeg.
Bij het hijsen wordt soms alleen de klauwval gebruikt. De klauw gaat dan omhoog terwijl de piek achterblijft. Het zeil raakt vervormd en kan ergens achter haken. Breng eerst de gaffel schuin omhoog en hijs daarna beide vallen samen.
Tijdens het beleggen laten cursisten soms één val los om de andere vast te zetten. Daarmee kan de gaffel plotseling zakken. Houd beide vallen in één hand en beleg met de andere. Dat voelt aanvankelijk wat onhandig, maar het is aanzienlijk handiger dan een gaffel op je schouder.
Bij het strijken worden de vallen soms door de handen laten glijden. Daardoor verlies je controle over het zeil en kun je je handen bezeren. Vier de vallen altijd hand over hand en begeleid de gaffel tot zij veilig op de giek ligt.
Een andere fout is te laat beginnen met de voorbereiding. Vlak voor een brug blijken de zeilbandjes nog onderin een kast te liggen en zit de val in een enthousiast opgeschoten knoop. Begin daarom ruim vóór het strijkpunt. Op Kielboot 3-niveau is voorbereiding onderdeel van de manoeuvre.
Samenvatting
Op Kielboot 3-niveau kun je de zeilen zowel stilliggend als varend zelfstandig hijsen en strijken. Stilliggend leg je de boeg nagenoeg in de wind. Varend kies je doorgaans een aan-de-windse koers met voldoende vaart en ruimte. De kraanlijn staat aan loef en de bemanning werkt aan de veilige zijde.
Bij een gaffelzeil hijs je eerst de gaffel schuin met de piekenval en daarna piekenval en klauwval samen. Je zet de klauwval door, stelt de piekenval en controleert de plooi van nokhoek naar halshoek. Bij het strijken houd je beide vallen onder controle en vier je ze hand over hand.
Het echte Kielboot 3-niveau zit niet alleen in de lijnenkennis. Het zit in vooruitkijken, de juiste boeg kiezen, taken verdelen en de manoeuvre aanpassen aan wind, ruimte, verkeer en bemanning.
“Een val mag vieren, maar de schipper houdt altijd de regie.”
