veiligheid rond motor – kb2

Veiligheid rond de buitenboordmotor begint al vóórdat je het startkoord aanraakt. Op Kielboot 2-niveau wordt van je verwacht dat je zelfstandig controleert of de motor veilig gestart, gedraaid en gebruikt kan worden. Je kijkt naar mensen in het water, losse lijnen, de stand van de bediening en vooral naar de ruimte tussen de schroef en het roer.

Een buitenboordmotor is handig, maar de draaiende schroef maakt geen onderscheid tussen water, een landvast en iets wat liever heel wil blijven. Daarom werk je rustig, houd je overzicht en gebruik je steeds dezelfde veiligheidsroutine.

Waarom is dit belangrijk?

Met de motor vaar je vaak juist op plaatsen waar weinig ruimte is: bij een steiger, tussen andere boten of in een haven. Een verkeerde hendelstand, een lijn in het water of onverwacht veel gas kan de kielboot direct laten bewegen. Bij Kielboot 2 moet je daarom niet alleen weten hoe de motor werkt, maar vooral wanneer je hem veilig kunt gebruiken.

Binnen de eisen voor Kielboot 2 hoort dat je met ten minste één motortype kunt omgaan, de start- en stopprocedure kent en controleert of de schroef het roer kan raken. Bij personen direct naast de boot in het water moet de motor worden uitgeschakeld.

Veilig motorvaren betekent vooruitdenken. Je kijkt niet pas naar de schroef wanneer er iets misgaat. Je controleert vooraf of iedereen weet wat er gaat gebeuren, of de vaarweg vrij is en of de boot onverwacht kan bewegen. Dat geeft rust aan boord en voorkomt dat de bemanning plotseling onderdeel wordt van een weinig geslaagde havenmanoeuvre.

Leerdoelen

Na afloop kun je zelfstandig een veiligheidscontrole uitvoeren voordat je de buitenboordmotor start. Je kunt controleren of de motor in de juiste stand staat, de bediening in neutraal staat en het roer vrij blijft van de schroef.

Je kunt herkennen wanneer starten of doorvaren niet veilig is. Je houdt mensen en lijnen weg bij de schroef, zorgt dat de bemanning stabiel zit en schakelt de motor uit wanneer iemand direct bij de boot in het water ligt. Je kunt bovendien rustig reageren op een afwijkend motorgeluid of een motor die niet normaal functioneert.

Uitleg

Theorie

Het grootste directe gevaar van een buitenboordmotor is de draaiende schroef. De schroef bevindt zich onder water en is dus niet altijd zichtbaar. Daardoor moet je vóór ieder gebruik bewust controleren wat zich achter en naast de boot bevindt.

Op veel kielboten hangen het aangehangen roer en de buitenboordmotor dicht bij elkaar. Wanneer de motor wordt gedraaid, bijvoorbeeld voor achteruitvaren, kan de schroef in de richting van het roer komen. De motor moet daarom zo worden gedraaid dat de schroef van het roer af wijst. Bij achteruitvaren moet de helmstok stevig worden vastgehouden, omdat deze naar de schroef kan bewegen.

Ook lijnen vormen een risico. Een landvast, schoot of andere lijn die in het water hangt, kan in de schroef terechtkomen. Lijnen die niet gebruikt worden, houd je daarom binnenboord en ruim je netjes op.

Uitvoering

Begin met een controle van de omgeving. Kijk achter de boot en vraag je af: ligt daar iemand in het water, drijft er een lijn of ligt een andere boot zo dichtbij dat je niet veilig kunt manoeuvreren? Meld duidelijk aan de bemanning dat je de motor gaat starten.

Controleer daarna de motor. Staat hij goed in het water en kan hij veilig worden gedraaid? Kijk of de schroef voldoende vrij blijft van het roer. Controleer vervolgens of de bediening in neutraal staat. Bij de beschreven lesmotor wordt vóór het starten ook de brandstofvoorraad gecontroleerd, de brandstofkraan geopend en bij een koude motor zo nodig de choke gebruikt.

Zorg dat je stabiel zit of hurkt voordat je het startkoord bedient. Houd rekening met de beweging van je arm en controleer dat niemand achter of vlak naast je staat. Trek beheerst en blijf na het aanslaan direct bij de motorbediening.

Schakel alleen vanuit neutraal in wanneer de vaarweg vrij is. Gebruik weinig gas en kijk eerst wat de boot doet. Bij het draaien van de motor verminder je het gas. Zo voorkom je dat de richting van de schroefkracht plotseling verandert terwijl de motor veel vermogen levert.

Voordat iemand bij het achterschip in het water komt, schakel je de motor volledig uit. Controleer vervolgens of hij echt stilstaat. Alleen neutraal zetten is niet voldoende wanneer er iemand direct naast de boot in het water ligt.

Veiligheid

Bevinden zich personen in het water, dan staat de motor uit. Dat geldt ook wanneer een drenkeling wordt benaderd, iemand bij de spiegel zwemt of een bemanningslid een lijn bij de schroef wil verwijderen. Start pas opnieuw wanneer iedereen veilig aan boord of duidelijk buiten de gevarenzone is.

Kom nooit met handen of voeten bij de schroef zolang de motor kan aanslaan. Moet je iets bij de schroef controleren of verwijderen, dan moet de motor volledig zijn uitgeschakeld. Laat dit bij twijfel over aan een instructeur of technisch bevoegde persoon.

Houd de bemanning tijdens het starten en manoeuvreren in de kuip. Niemand staat zonder taak op het achterdek of leunt over de spiegel. Spreek af wie de motor bedient en wie uitkijkt. Twee mensen die tegelijk aan dezelfde motor draaien, leveren zelden dubbel zoveel veiligheid op.

Let ook op afwijkingen. Een motor die na verloop van tijd uitvalt, kan volgens het instructiemateriaal onder meer te heet zijn geworden. Bij vreemde geluiden moet het probleem worden doorgegeven. Stop daarom met varen wanneer de motor anders klinkt of zich anders gedraagt dan normaal.

Praktische aandachtspunten

Maak van de controle een vaste routine: mens, lijn, roer, neutraal, motor. Kijk eerst of er mensen in het water zijn. Controleer daarna de lijnen, de ruimte tussen roer en schroef, de neutraalstand en ten slotte de motor zelf.

Laat één persoon verantwoordelijk zijn voor de motorbediening. De andere bemanningsleden houden handen en voeten binnenboord en volgen de aanwijzingen van de schipper. Spreek vóór vertrek af wie waar zit en wie de omgeving controleert.

Kijk tijdens het manoeuvreren regelmatig achterom. Vooral bij achteruitvaren moet je niet alleen naar de motor kijken, maar ook naar de richting waarin de spiegel beweegt. Houd daarbij de helmstok stevig vast.

Herken je dit op het water? Iedereen kijkt naar de steiger, terwijl achter de boot een landvast vrolijk richting schroef drijft. Juist dan moet jij het overzicht bewaren. Een keurige aanlegmanoeuvre begint niet bij de steiger, maar bij een vrij achterschip.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je vóór het starten bewust om je heen kijkt en controleert of de schroef vrij is. Ook wordt gekeken of je de neutraalstand controleert, stevig zit en het startkoord beheerst bedient.

Tijdens het manoeuvreren let de instructeur op de verhouding tussen motor en roer. Je moet voorkomen dat de schroef het roer kan raken en bij achteruitvaren de helmstok goed vasthouden. Je vermindert het gas voordat je de motor draait en gebruikt alleen de kracht die nodig is.

Zelf let je op het geluid van de motor, de beweging van de boot en de positie van de bemanning. Loopt de motor regelmatig? Reageert de boot zoals verwacht? Blijven alle lijnen binnenboord? Zit iedereen veilig?

Het gaat goed wanneer je rustig en voorspelbaar werkt. Het gaat minder goed wanneer je tegelijk start, omkijkt, de motor draait en de bemanning nog probeert uit te zoeken waar zij moet zitten. Doe één ding tegelijk en controleer telkens het resultaat.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is starten zonder eerst de neutraalstand te controleren. Daardoor kan de schroef onverwacht gaan draaien. Maak van neutraal daarom een vast onderdeel van iedere startcontrole.

Een tweede fout is alleen naar de motor kijken en niet naar de omgeving. De motor kan technisch prima staan, terwijl achter de boot een zwemmer, landvast of andere boot aanwezig is. Kijk daarom altijd eerst buitenboord.

Ook worden lijnen soms los op het achterdek gelegd, waardoor ze geleidelijk in het water verdwijnen. Schiet ongebruikte lijnen op en houd ze binnenboord. Zo verklein je de kans dat een lijn in de schroef komt.

Bij achteruitvaren wordt de helmstok soms losgelaten. De helmstok kan dan naar de draaiende schroef bewegen. Houd hem stevig vast en blijf controleren waar het roer zich bevindt.

Ten slotte wordt bij iemand in het water soms alleen naar neutraal geschakeld. De veilige keuze is duidelijker: motor uit en controleren of hij volledig stilstaat.

Samenvatting

Veiligheid rond de buitenboordmotor begint met kijken en eindigt pas wanneer de motor volledig stilstaat. Je controleert vóór het starten de omgeving, losse lijnen, de ruimte tussen roer en schroef en de neutraalstand. Je zorgt dat de bemanning veilig zit en dat één persoon de motor bedient.

Tijdens het varen gebruik je weinig gas, draai je de motor beheerst en houd je bij achteruitvaren de helmstok stevig vast. Bij personen direct naast de boot in het water staat de motor uit. Klinkt of reageert de motor afwijkend, dan stop je en meld je het probleem.

“Eerst mens, lijn en roer in beeld, dan pas de motor in het werk.”