Hijsen en strijken van de zeilen betekent dat je de zeilen omhoog brengt om te gaan varen en later weer gecontroleerd laat zakken of oprolt. Bij Kielboot 1 leer je dit vooral stilliggend en onder gunstige omstandigheden. De boot ligt met de kop nagenoeg in de wind, zodat het grootzeil tijdens het hijsen of strijken zo min mogelijk wind vangt. Dat geeft rust, overzicht en veiligheid aan boord.
Bij een open kielboot gaat het meestal om het grootzeil en de fok. Het grootzeil wordt met een val of, bij een gaffeltuig, met piekeval en klauwval gehesen. De fok wordt gehesen, uitgerold of voorbereid afhankelijk van het type boot. Voor Kielboot 1 is het belangrijk dat je begrijpt wat je doet, niet dat je alles al razendsnel kunt. Rustig, netjes en veilig is veel belangrijker dan snel.
Waarom is dit belangrijk?
Goed hijsen zorgt ervoor dat je veilig en zonder onnodige stress kunt vertrekken. Als het grootzeil goed omhoog staat, de vallen zijn vastgezet en de lijnen zijn opgeschoten, kun je je aandacht daarna richten op afvaren, sturen en zeilstand. Als er tijdens het hijsen iets blijft haken, een val verkeerd loopt of de grootschoot nog strak staat, ontstaat er al snel onrust in de boot. Herken je dat moment waarop iedereen ineens naar boven kijkt en niemand meer weet wie welke lijn vast heeft? Precies daarom oefenen we dit stap voor stap.
Goed strijken is minstens zo belangrijk. Je brengt de boot en het zeil weer terug naar rust. Het zeil moet niet ongecontroleerd naar beneden vallen, de giek moet ondersteund blijven en de lijnen moeten bruikbaar blijven voor de volgende keer. Klapperende zeilen slijten hard en maken veel lawaai, en slordig opgeborgen lijnen raken snel in de knoop. Een nette boot is niet alleen mooier, maar ook veiliger.
Leerdoelen
Na deze les kun je:
- uitleggen waarom de boot bij stilliggend hijsen en strijken met de kop nagenoeg in de wind moet liggen;
- de belangrijkste lijnen benoemen die bij het hijsen en strijken worden gebruikt, zoals grootschoot, kraanlijn, fokkeval en eventueel piekeval en klauwval;
- onder begeleiding het grootzeil veilig hijsen;
- onder begeleiding de fok hijsen, uitrollen, strijken of inrollen;
- uitleggen waarom de grootschoot los moet zijn bij het hijsen;
- de kraanlijn gebruiken om de giek te ondersteunen;
- de vallen vastzetten en netjes opschieten;
- het grootzeil gecontroleerd strijken, opvangen en opruimen;
- rekening houden met de positie van de bemanning tijdens hijsen en strijken;
- veelgemaakte fouten herkennen en corrigeren.
Uitleg
Theorie
Een zeil kan alleen rustig omhoog of omlaag als het geen sterke winddruk krijgt. Daarom leg je de boot met de kop nagenoeg in de wind. De wind komt dan van voren, waardoor het grootzeil niet vol wind slaat tijdens het hijsen. Bij een boot aan hogerwal of aan een meerpaal kan de boot vaak vanzelf met de boeg in de wind liggen, maar soms moet je de boot eerst verhalen om goed uit te komen.
De kraanlijn ondersteunt de giek. Voordat je gaat hijsen of strijken, wil je dat de giek niet onverwacht zakt of onhandig beweegt. Bij een gaffeltuig heb je daarnaast te maken met de gaffel. De piekeval hijst de piek of achterkant van de gaffel, de klauwval hijst de voorkant van de gaffel bij de mast. Veel beginners vinden die termen eerst wat veel, maar als je ze één keer rustig aanwijst in de boot, valt het kwartje snel.
De grootschoot moet bij het hijsen los zijn. Als het zeil onverwacht toch wind vangt, kan het dan vrij bewegen en bouwt er minder spanning op. Bij het strijken wil je ook controle houden over de vallen. Laat een val niet zomaar door je handen schieten, maar vier gecontroleerd. Je voelt de lijn dan door je handen lopen en blijft baas over het tempo.
Uitvoering
Begin met kijken: waar komt de wind vandaan, ligt de boot goed en is er ruimte om veilig te werken? Leg de boot met de kop nagenoeg in de wind. Zorg dat iemand of iets voorkomt dat de boot tegen de wal komt. Laat de bemanning op een veilige plek plaatsnemen, bijvoorbeeld voorin of aan de kant van de kraanlijn bij een gaffeltuig.
Bij het hijsen van het grootzeil maak je de grootschoot los, maak je de zeilbandjes los en controleer je of het zeil vrij omhoog kan. Bij een gaffelzeil hijs je de gaffel eerst ongeveer schuin omhoog en gebruik je daarna piekeval en klauwval om het zeil verder te hijsen. De piek wordt zo gesteld dat het zeil netjes staat en de kraanlijn wordt daarna zo losgezet dat het zeil er geen hinder van ondervindt. Bij eenvoudiger tuigage hijs je het grootzeil met de grootzeilval en zet je de val goed vast.
De fok wordt pas gehesen, uitgerold of klaargemaakt wanneer dat veilig en handig is. In beginnerssituaties wordt vaak eerst het grootzeil gehesen en blijft de fok nog ingerold tot het moment van afvaren. Het in de wind uitrollen van de fok is niet handig, omdat de fok dan klappert en dat slecht is voor het zeil.
Bij het strijken breng je de boot opnieuw rustig met de kop in de wind. De fok wordt gestreken of ingerold en daarna strijk je het grootzeil gecontroleerd. De kraanlijn wordt doorgezet zodat de giek ondersteund blijft. Vervolgens vier je de vallen hand over hand en vang je het zeil op. Daarna leg je het zeil netjes op de giek, bind je het op en ruim je de lijnen op.
Veiligheid
De grootste risico’s bij hijsen en strijken ontstaan door onverwachte bewegingen. De giek kan bewegen, de gaffel kan zakken, het zeil kan wind vangen en een lijn kan snel door je handen lopen. Daarom werk je rustig, spreek je af wie wat doet en blijf je uit de baan van giek en gaffel.
Zorg dat de bemanning niet op een plek staat waar de gaffel of giek kan komen. Bij gaffelzeilen is het extra belangrijk dat iedereen goed staat voordat het zeil omhoog of omlaag gaat. Een instructeur zal vaak zeggen: “Kijk even omhoog voordat je trekt.” Dat klinkt simpel, maar het voorkomt veel gedoe.
Werk zoveel mogelijk vanuit de kuip wanneer dat kan. Dat geeft steun en voorkomt dat je onnodig over het gangboord loopt. Controleer ook of lijnen niet onder voeten liggen. Een losse lus in de kuip lijkt onschuldig, tot je net wilt verzitten en met je schoen vast komt te zitten.
Praktische aandachtspunten
Neem vóór het hijsen altijd een paar seconden om naar de lijnen te kijken. Loopt de val vrij? Zit er geen kink in? Haakt het zeil nergens achter? In de praktijk zie ik vaak dat cursisten een probleem proberen op te lossen door harder te trekken. Maar een zeil dat niet omhoog wil, zegt meestal: “Stop even, kijk eerst.”
Schiet vallen na het hijsen netjes op. Opschieten betekent dat je de lijn in nette lussen opbergt, zodat hij niet in de knoop raakt en later weer snel bruikbaar is. Let daarbij op kinken in de lijn. Een lijn die netjes ligt, geeft rust in je hoofd en ruimte in de kuip.
Let na het strijken ook op het materiaal. Een grootzeil dat slordig op de giek ligt, vangt sneller wind, droogt minder mooi en slijt sneller. Een fok die blijft klapperen klinkt misschien stoer, maar je zeil denkt daar heel anders over. Die wil gewoon rust.
Observatiepunten tijdens de praktijk
Waar let een instructeur op?
Een instructeur kijkt eerst of je de situatie goed voorbereidt. Ligt de boot met de kop nagenoeg in de wind? Is er ruimte om te werken? Staat de bemanning veilig? Zijn grootschoot, zeilbandjes en vallen klaar voor gebruik? Voor Kielboot 1 is dit belangrijker dan tempo.
Daarna kijkt de instructeur naar je handelingen. Trek je rustig aan de juiste val? Houd je controle over de lijn? Zet je de val goed vast? Schiet je de lijn netjes op? Bij strijken let de instructeur erop of je de vallen hand over hand viert en het zeil opvangt in plaats van laat vallen.
Ook kijkt de instructeur naar je waarneming. Zie je dat een lijn haakt? Hoor je dat de fok klappert? Merk je dat de boot niet meer goed in de wind ligt? Reageer je rustig of ga je harder trekken? Een goede zeiler kijkt, voelt en luistert. Dat begint al aan de steiger.
Waar moet de cursist zelf op letten?
Vraag jezelf steeds af: ligt de boot rustig, loopt de lijn vrij en staat iedereen veilig? Als je op die drie punten blijft letten, voorkom je de meeste problemen. Je hoeft niet alles in één keer perfect te doen. Begin met rustig kijken en duidelijk handelen.
Let op je handen. Een val onder spanning laat je niet los en laat je niet ongecontroleerd door je vingers glijden. Bij het strijken voelt een goede beweging rustig en gecontroleerd: de lijn loopt, het zeil zakt, jij houdt overzicht,
Let ook op geluid. Een zeil dat hard klappert, een val die tikt of een blok dat vreemd belast wordt, vertelt je iets. Op het water praat de boot voortdurend met je. De kunst is leren luisteren voordat de boot gaat schreeuwen.
Praktijkoefeningen
Oefening 1: Lijnen herkennen en klaarleggen
Laat de cursist in de boot de grootschoot, kraanlijn, fokkeval en, bij een gaffeltuig, piekeval en klauwval aanwijzen. Laat daarna elke lijn kort bedienen zonder het zeil volledig te hijsen. Bespreek wat er beweegt als je aan de lijn trekt. Deze oefening is laagdrempelig en geeft veel vertrouwen, zeker voor beginners die “al die touwtjes” eerst nogal overweldigend vinden.
Oefening 2: Grootzeil hijsen aan hogerwal
Leg de boot met de kop nagenoeg in de wind. Controleer de grootschoot, kraanlijn, zeilbandjes en vallen. Hijs het grootzeil onder begeleiding. Laat de cursist benoemen wat hij doet: “grootschoot los”, “val vrij”, “zeil omhoog”, “val vast”, “lijn opschieten”. Door hardop te werken, blijft de volgorde duidelijk en kan de instructeur makkelijk bijsturen.
Oefening 3: Gecontroleerd strijken
Breng de boot opnieuw met de kop in de wind. Zet de kraanlijn door, laat de fok inrollen of strijken en strijk daarna het grootzeil. Laat de cursist de val hand over hand vieren terwijl een ander het zeil opvangt en op de giek legt. Bespreek na afloop: bleef het rustig, bleef het zeil vrij, en lagen de lijnen netjes?
Oefening 4: Kleine storing herkennen
De instructeur laat bewust een onschuldige kink in een lijn zitten of legt een lijn zichtbaar verkeerd. De cursist begint met voorbereiden en moet vóór het hijsen ontdekken wat niet klopt. De opdracht is niet: zo snel mogelijk hijsen. De opdracht is: veilig controleren. Dit is een hele waardevolle oefening, omdat veel echte problemen ontstaan doordat iemand doorgaat terwijl de boot eigenlijk al waarschuwt.
Veelgemaakte fouten
Hijsen terwijl de boot niet goed in de wind ligt
Deze fout ontstaat vaak door haast. De cursist denkt dat de boot “ongeveer goed” ligt, maar het zeil vangt toch wind. Daardoor gaat het klapperen of komt er onverwachte druk op de boot.
Tip: kijk vóór het hijsen naar vlag, windvaan, golfjes of voel de wind op je gezicht. Pas als de wind van voren komt, begin je met hijsen.
Grootschoot nog vast
Als de grootschoot nog strak staat, kan het grootzeil niet vrij bewegen. Dat geeft spanning en onrust als het zeil wind vangt.
Tip: maak van “grootschoot los” een vaste controle vóór elk hijsmoment. Zeg het desnoods hardop.
Te hard trekken aan een vastlopend zeil
Beginners denken soms dat een zeil dat niet omhoog wil gewoon meer kracht nodig heeft. Vaak zit er dan een lijn verkeerd, een zeilbandje nog vast of een val met een kink.
Tip: als het zwaar gaat: stop, kijk omhoog, volg de lijn en zoek de oorzaak. Harder trekken is zelden de beste oplossing.
De kraanlijn vergeten
Bij het hijsen en strijken ondersteunt de kraanlijn de giek. Als deze niet goed staat, kan de giek onhandig zakken of bewegen.
Tip: controleer vóór hijsen en strijken: waar is de giek, waar is de kraanlijn en staat iedereen veilig?
Vallen niet netjes opschieten
Na het hijsen liggen vallen soms als spaghetti in de kuip. Dat lijkt alleen rommelig, maar kan ook gevaarlijk zijn wanneer iemand erin stapt of wanneer de lijn later snel nodig is.
Tip: schiet de lijn direct na gebruik op. Let op kinken en hang of leg de lijn zo weg dat hij weer vrij kan lopen.
Het zeil laten vallen bij het strijken
Bij het strijken laten cursisten de val soms te snel vieren. Het zeil valt dan rommelig op de giek of in de kuip, en de controle is weg.
Tip: strijken is niet “loslaten”, maar “gecontroleerd laten zakken”. Vier de val hand over hand en werk samen met iemand die het zeil opvangt.
Samenvatting
Hijsen en strijken van de zeilen draait om rust, volgorde en controle. Je begint met de boot goed in de wind leggen, zodat het zeil tijdens het hijsen of strijken geen onnodige druk krijgt. Daarna controleer je of de lijnen vrij lopen, de grootschoot los is, de kraanlijn goed staat en de bemanning veilig staat. Pas dan ga je hijsen. Bij een gaffeltuig gebruik je de piekeval en klauwval om de gaffel en het grootzeil goed omhoog te krijgen; bij eenvoudiger tuigage hijs je het grootzeil met de grootzeilval.
Bij het strijken breng je dezelfde rust terug in de boot. De fok wordt gestreken of ingerold, de kraanlijn ondersteunt de giek en het grootzeil wordt gecontroleerd naar beneden gebracht. Je vangt het zeil op, legt het netjes op de giek en ruimt daarna de lijnen op. Dat klinkt misschien als veel stappen, maar na een paar keer wordt het een vaste routine. En die routine geeft vertrouwen. Je merkt het aan boord: minder geroep, minder geklapper, minder gedoe. Gewoon een boot die doet wat jij wilt.
Voor Kielboot 1 hoef je dit nog niet onder alle omstandigheden zelfstandig te kunnen. Maar je moet wel begrijpen waarom je met de kop in de wind werkt, waarom je de grootschoot losmaakt, waarom je de kraanlijn gebruikt en waarom je lijnen netjes opruimt. Wie netjes hijst en strijkt, legt een stevige basis voor veilig en plezierig zeilen.
Controleer jezelf
- Waarom moet de boot bij stilliggend hijsen met de kop nagenoeg in de wind liggen?
- Waarom maak je de grootschoot los voordat je het grootzeil hijst?
- Waarvoor dient de kraanlijn tijdens hijsen en strijken?
- Wat is het verschil tussen een fokkeval en een grootschoot?
- Waarom moet je een val niet ongecontroleerd door je handen laten glijden?
- Wat doe je als het zeil tijdens het hijsen plots zwaar loopt?
- Waarom is het belangrijk dat bemanning veilig staat bij een gaffeltuig?
- Waarom wordt de fok vaak pas vlak voor of bij het afvaren uitgerold?
- Wat betekent “opschieten” van een lijn?
- Noem twee signalen waaraan je merkt dat het hijsen of strijken niet rustig verloopt.
“Een zeil hijsen is net als een dekbedovertrek verschonen: als je rustig werkt lukt het prima, maar zodra je gaat rukken en trekken, zit alles in de knoop.”