Afmeren betekent dat je de kielboot na het aanleggen stevig en veilig vastlegt op de eigen ligplaats. Je gebruikt daarvoor landvasten, eventueel stootwillen en de juiste knopen of steken. Het doel is eenvoudig: de boot blijft netjes liggen zonder tegen de wal, palen of andere boten te schuren. Voor Kielboot 1 oefen je dit op de vaste ligplaats van de lesboot, onder begeleiding van je instructeur.
Aanleggen en afmeren zijn niet precies hetzelfde. Bij het aanleggen breng je de boot beheerst bij de wal. Bij het afmeren zorg je daarna dat hij daar veilig blijft liggen. Een prachtige aankomst gevolgd door een losrakende landvast is tenslotte maar een half succes.
Waarom is dit belangrijk?
Een kielboot blijft na het aanleggen bewegen door wind, golven en voorbijvarende schepen. Zonder goed aangebrachte landvasten kan de boot tegen de wal stoten, langs een paal schuren of tegen een andere boot terechtkomen. Stootwillen beschermen de romp op plaatsen waar contact kan ontstaan, terwijl de landvasten de beweging van de boot begrenzen. Voor Kielboot 1 moet je de boot op de eigen ligplaats kunnen afmeren, zo nodig stootkussens gebruiken en passende knopen en steken toepassen.
Goed afmeren beschermt niet alleen het materiaal. Het voorkomt ook dat iemand op het laatste moment moet springen, trekken of met handen en voeten tussen boot en wal probeert af te houden. Rustig werken, taken verdelen en eerst kijken waar de wind vandaan komt, zijn daarom minstens zo belangrijk als de knoop waarmee de lijn eindigt.
Leerdoelen
Na afloop kun je onder begeleiding de kielboot op de eigen ligplaats afmeren. Je herkent de voorlandvast en achterlandvast, kunt bepalen waar stootwillen nodig zijn en weet welke stevige bevestigingspunten je moet gebruiken. Je kunt een landvast op een kikker beleggen, een paalsteek leggen en twee halve steken toepassen wanneer dat bij de eigen ligplaats nodig is. Voor Kielboot 1 behoren het beleggen op een klamp, nagel of kikker, de paalsteek, twee halve steken waarvan de eerste slippend is en het opschieten van een tros tot het vereiste schiemanswerk.
Je leert bovendien controleren of de boot echt goed ligt. Kun je de boot rustig van de wal afduwen zonder dat hij ergens tegenaan komt? Hangen de stootwillen op de juiste hoogte? Zijn de lijnen stevig vastgezet en liggen de losse uiteinden netjes aan boord? Pas als die controle klopt, is het afmeren klaar.
Uitleg
Theorie
Een landvast is een lijn waarmee je de boot aan de wal, een paal, een ring of een ander geschikt bevestigingspunt vastlegt. De voorlandvast houdt het voorschip op zijn plaats en de achterlandvast doet hetzelfde met het achterschip. Welke lijnen je op de eigen ligplaats precies gebruikt, hangt af van de inrichting van de box of steiger.
Een stootwil of stootkussen hangt tussen de romp en de wal, paal of buurboot. Hij vangt lichte bewegingen op en voorkomt beschadigingen. Hang een stootwil daarom niet ergens waar hij keurig wappert maar niets raakt. Hij hoort op de plaats waar de boot daadwerkelijk contact kan maken. Bij afmeren langs een wal is ook een spring nuttig om het heen-en-weer bewegen, het zogenaamde wiegen, te beperken.
Landvasten worden alleen bevestigd aan daarvoor geschikte, sterke punten op de boot. Gebruik dus de aangewezen kikkers of landvastogen. Een mast, stag, nagelbank of ander onderdeel van de tuigage is niet automatisch een afmeerpunt. De instructeur laat bij de eigen lesboot zien welke punten daarvoor bestemd zijn.
Uitvoering
Bereid het afmeren voor voordat iedereen tegelijk van boord wil. Leg de landvasten klaar, bepaal aan welke zijde de stootwillen nodig zijn en spreek af wie het voorschip en wie het achterschip vastmaakt. Een landvast die nog diep onder een tas, regenbroek en broodtrommel ligt, is technisch gezien aanwezig, maar praktisch gezien spoorloos.
Zodra de boot rustig bij de eigen ligplaats ligt, blijft degene die op de wal stapt zo lang mogelijk laag. Stap pas wanneer de boot vrijwel stilligt en de afstand veilig te overbruggen is. Stap, spring niet. De aankomst bij hogerwal hoort zo te worden uitgevoerd dat de boot vlak voor de aangewezen plaats stilligt en het bemanningslid via de loefzijde aan de wal kan stappen.
Maak vervolgens de landvast vast die de natuurlijke beweging van de boot het beste tegenhoudt. Meestal is dat de lijn aan de kant waar de wind vandaan komt. Daarna leg je de andere landvast aan. Hang de stootwillen tussen de romp en mogelijke contactpunten en stel de lijnen zo af dat de boot vrij blijft van de wal, palen en andere schepen.
Beleg een landvast op een kikker door eerst een volledige slag om de kikker te leggen en daarna kruisslagen te maken. Sluit af met een borgende slag. Bij een paal of ring kan, afhankelijk van de inrichting van de ligplaats, een paalsteek of twee halve steken waarvan de eerste slippend worden gebruikt. Een paalsteek vormt een vaste lus die zich onder belasting niet verder aantrekt.
Controleer na het vastmaken de ligging van de boot. Duw voorzichtig tegen de boeg en daarna tegen het achterschip. De boot mag bewegen, maar hoort nergens hard tegenaan te komen. Kijk of de stootwillen nog op hun plaats hangen en of de lijnen nergens over een scherpe rand schuren. Schiet losse lijn netjes op en leg deze aan boord, zodat niemand erover struikelt en er niets in het water hangt.
Veiligheid
Kom nooit met handen, voeten of benen tussen de boot en de wal om een bewegende kielboot tegen te houden. Gebruik stootwillen, landvasten of een vaarboom en volg de aanwijzingen van de instructeur. Een polyester romp kan tegen een stootwil. Je vingers zijn daar aanzienlijk minder enthousiast over.
Spring niet van boord met een landvast in je hand. Als de afstand te groot is of de boot nog te snel beweegt, blijft iedereen aan boord en wordt de aankomst opnieuw uitgevoerd. Een geslaagde afmeermanoeuvre begint met een rustige aankomst, niet met een spectaculaire landing op de steiger.
Ga nooit op een landvast staan en wikkel een lijn niet om je hand of arm. Wanneer de boot plotseling beweegt, kan er direct veel kracht op de lijn komen. Zorg ook dat landvasten niet los overboord hangen. Losse lijnen kunnen ergens achter blijven haken en vormen bij een draaiende motor een extra risico.
Praktische aandachtspunten
Kijk vóór het vastmaken eerst naar de wind. Van welke kant wordt de boot tegen de ligplaats gedrukt? Welke lijn houdt die beweging als eerste tegen? Door die lijn eerst vast te maken, krijg je rust om de rest af te werken.
Let ook op het geluid. Hoor je regelmatig een doffe tik tegen de wal, dan hangt waarschijnlijk een stootwil verkeerd of staat een landvast niet goed. Hoor je een lijn schuren of kraken, controleer dan of hij over een scherpe rand loopt. Goed afmeren ziet er niet alleen netjes uit, het voelt en klinkt ook rustig.
Laat de lijnen niet extreem slap, maar zet ze evenmin gedachteloos zo strak mogelijk. Op de eigen ligplaats moet de boot voldoende vrij blijven van obstakels. Controleer de afstelling door tegen de boot te duwen en te kijken welke beweging iedere lijn tegenhoudt. Zo ontdek je meteen of de voor- en achterlandvast hun werk doen.
Ruim na het afmeren ook de boot op. Bind de zeilen netjes op, schiet de schoten en overige lijnen op en laat de kuip schoon en vrij achter. Opschieten verkleint de kans op knopen, struikelen en problemen wanneer de lijn later opnieuw gebruikt moet worden.
Observatiepunten tijdens de praktijk
De instructeur let erop of je de afmeermanoeuvre voorbereidt voordat de boot op zijn plaats ligt. Zijn de landvasten beschikbaar, hangen de stootwillen aan de goede zijde en weet ieder bemanningslid wat zijn taak is? Tijdens het vastmaken wordt gekeken of je geschikte bevestigingspunten en de juiste knopen gebruikt. Voor Kielboot 1 gaat het daarbij vooral om veilig en herkenbaar werken op de eigen ligplaats.
Zelf let je op de beweging van de boot. Waarheen drukt de wind het schip? Welk deel beweegt wanneer je tegen de boeg duwt? Komt de romp alleen via de stootwillen in de buurt van de kant, of raakt hij toch een paal? Kijk ook of de lijnen vrijlopen en niet langs een scherpe rand schavielen.
Een goed afgemeerde boot ligt rustig, kan niet hard tegen de wal of andere schepen botsen en trekt niet onverwacht grote lussen in de lijnen. De knopen en beleggingen blijven vast, maar zijn later ook weer beheerst los te maken. Het dek en de kuip zijn opgeruimd en losse uiteinden liggen binnenboord.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is dat de stootwillen pas worden opgehangen nadat de boot al tegen de wal ligt. Leg ze daarom vooraf klaar en hang ze uit aan de zijde waar werkelijk contact kan ontstaan. Controleer ook de hoogte. Een stootwil boven de steiger beschermt vooral de frisse buitenlucht.
Soms worden landvasten bevestigd aan een ongeschikt onderdeel, zoals de mast, een stag of een deel van de tuigage. Gebruik alleen de sterke bevestigingspunten die voor het afmeren zijn bedoeld. Vraag bij twijfel de instructeur welke kikkers of ogen op de lesboot gebruikt moeten worden.
Ook worden lijnen regelmatig te vroeg losgelaten of wordt er van boord gesprongen terwijl de boot nog beweegt. Blijf laag, wacht tot de boot vrijwel stilligt en stap beheerst aan wal. Is de afstand te groot, dan probeer je het opnieuw. De steiger loopt niet weg, hoewel hij op een winderige middag soms anders lijkt te denken.
Een andere fout is dat de boot na het leggen van de knopen niet meer wordt gecontroleerd. Trek daarom aan iedere lijn en duw tegen verschillende delen van de boot. Zo merk je direct of een belegging loszit, een stootwil verschuift of het achterschip alsnog tegen een paal kan komen.
Tot slot blijven losse uiteinden soms op de steiger of in het water liggen. Schiet de landvasten ordelijk op en leg de losse delen aan boord. Daarmee blijft de ligplaats overzichtelijk en voorkom je knopen, struikelgevaar en beschadiging van het touwwerk.
Samenvatting
Bij Kielboot 1 leer je de boot op de eigen ligplaats veilig afmeren. Je bereidt de landvasten en stootwillen voor, laat de boot rustig aankomen en stapt pas aan wal wanneer dat veilig kan. Daarna zet je het voorschip en achterschip vast met de aangewezen bevestigingspunten en passende knopen of steken.
Controleer altijd of de boot vrij blijft van de wal, palen en andere boten. Stootwillen hangen op echte contactpunten, de lijnen zijn betrouwbaar belegd en de losse uiteinden liggen netjes binnenboord. Een goede laatste controle bestaat uit kijken, trekken en voorzichtig tegen de boot duwen. Blijft alles netjes op zijn plaats, dan mag de bemanning richting warme chocolademelk.
“Een goede landvast houdt de boot vast, maar nooit de bemanning op.”
