Een buitenboordmotor is aan boord van een kielboot een handig hulpmiddel. Je gebruikt hem bijvoorbeeld wanneer zeilen niet praktisch of veilig is, bij het manoeuvreren in beperkte ruimte of bij het aanleggen onder lastige omstandigheden. Maar zodra de motor draait, heb je niet alleen te maken met gas geven en sturen. Achter de boot draait een schroef, het roer beweegt vlak langs die schroef en losse lijnen lijken soms precies op het verkeerde moment belangstelling te krijgen voor het schroefwater.
Op Kielboot 3-niveau wordt van je verwacht dat je de motor zelfstandig kunt starten en stoppen en veilig kunt manoeuvreren. Daar horen onder andere keren, stoppen, stilliggen op open water en aankomen of afvaren bij. Je moet daarbij voortdurend vooruitkijken: waar zijn de bemanningsleden, waar liggen de lijnen en hoeveel ruimte hebben roer en schroef?
Waarom is dit belangrijk?
Een motor geeft je controle, maar alleen als jij de risico’s vóór bent. Bij een kielboot zitten het roer en de buitenboordmotor vaak dicht bij elkaar. Bij een grote uitslag van de helmstok kan het roerblad in de buurt van de draaiende schroef komen. Dat kan schade veroorzaken aan het roer, de schroef of de motor en kan bovendien leiden tot een plotseling verlies van bestuurbaarheid. Daarom moet je vóór het starten en tijdens iedere manoeuvre controleren of het roer en de schroef elkaar kunnen raken.
De schroef vormt ook een direct gevaar voor mensen in het water. Bij directe aanwezigheid van personen in het water moet de motor worden uitgeschakeld. Daarnaast kunnen landvasten, sleeplijnen en andere losse lijnen door de schroef worden gegrepen. Een lijn die rustig achter de boot dobbert, kan binnen een ogenblik strak om de schroefas zitten. Een opgeruimde kuip en goed opgeschoten lijnen zijn dus geen schoonheidswedstrijd, maar onderdeel van veilig motorgebruik.
Op Kielboot 3-niveau kijk je bovendien verder dan de boot zelf. Een varende kielboot onder motor geldt als motorschip. Je moet daarom tijdig beoordelen welke vaarregels van toepassing zijn en rekening houden met je snelheid, draaicirkel, remweg, wind en beschikbare manoeuvreerruimte.
Leerdoelen
Na afloop kun je zelfstandig beoordelen of de buitenboordmotor veilig gebruikt kan worden. Je controleert vóór het starten de omgeving van schroef en roer, houdt lijnen uit het water en weet waar de bemanning zich bevindt. Je kent de start- en stopprocedure van de eigen motor en weet wanneer je een choke gebruikt.
Tijdens het varen kun je beheerst vooruitvaren, stoppen, achteruitvaren, keren en stilliggen op open water. Je kunt aankomen en afvaren bij hogerwal en lagerwal en houdt daarbij rekening met wind, vaart, roerwerking en schroefwerking. Je herkent afwijkende geluiden of gedrag van de motor en onderneemt geen technische experimenten terwijl de situatie om varen en opletten vraagt.
Uitleg
Theorie
Een buitenboordmotor levert stuwkracht doordat de schroef water verplaatst. De richting waarin de schroef staat, bepaalt in belangrijke mate welke kant de stuwkracht op werkt. Dat maakt een buitenboordmotor effectief bij langzaam manoeuvreren, maar het betekent ook dat een snelle of grote draai van de motor de boot plotseling anders kan laten reageren dan je verwacht.
Bij veel kielboten bevinden roer en motor zich dicht bij elkaar. Controleer daarom hoeveel ruimte er tussen het roerblad en de schroef zit, zowel bij rechtuit varen als bij een grote roeruitslag en een gedraaide motor. Vooral bij achteruitvaren moet je de helmstok stevig onder controle houden. Een losgeslagen helmstok kan richting de draaiende schroef bewegen.
Zodra je de motor gebruikt om de boot voort te bewegen, vaar je voor de verkeersregels als motorschip. Vaar je overdag tegelijkertijd op zeil én motor, dan hoort daarbij een goed zichtbare zwarte kegel. Keren, vertrekken en een haven in- of uitvaren zijn bijzondere manoeuvres. Je voert ze alleen uit wanneer dat zonder gevaar voor andere schepen kan.
Uitvoering
Begin met overzicht. Kijk achter de boot en controleer of er mensen, lijnen of andere obstakels bij het achterschip liggen. Controleer vervolgens of motor, schroef en roer voldoende bewegingsruimte hebben. Zorg dat landvasten en sleeplijnen aan boord en opgeschoten zijn. Wat niet in het water hangt, kan ook niet om de schroef draaien. Dat is nautische logica van het prettige soort.
Gebruik daarna de startprocedure die bij de motor van jouw lesboot hoort. Controleer onder andere de brandstofvoorraad, brandstoftoevoer, neutraalstand en, bij een koude motor, het eventuele gebruik van de choke. De exacte volgorde en bediening kunnen per motortype verschillen. Leer daarom niet alleen een algemeen rijtje uit je hoofd, maar ken de motor waarmee je daadwerkelijk vaart.
Laat de motor rustig lopen en luister. Een gelijkmatig geluid is vertrouwd. Een vreemd ratelend, schurend of plotseling wisselend geluid is reden om de situatie te beoordelen en het probleem door te geven. Voor dagelijks onderhoud hoort bij Kielboot 3 dat je brandstof zo nodig aanvult, de smering van motor en schroefas controleert en vreemde geluiden herkent.
Vaar met kleine, bewuste correcties. Bij achteruitvaren kijk je daadwerkelijk naar achteren en houd je de helmstok goed vast. Verminder zo nodig het gas voordat je de motor draait. Stem motorstand en roerstand bewust op elkaar af, zodat de schroef van het roer af gericht blijft. Stoppen is niet simpelweg “gas dicht en hopen”. Kijk vooruit, neem tijdig vaart terug en houd rekening met wind en de resterende vaart van de boot.
Veiligheid
De belangrijkste regel is eenvoudig: bevinden zich personen direct bij de boot in het water, dan gaat de motor uit. Niet alleen in neutraal, maar uit. De motor wordt pas opnieuw gestart wanneer duidelijk is dat iedereen veilig uit de buurt van de schroef is.
Kom nooit met handen of voeten bij de schroef zolang de motor kan starten of draaien. Raakt een lijn in de schroef, dan stop je eerst de motor en maak je de situatie beheersbaar. Probeer een vastgelopen lijn niet los te trekken terwijl de schroef nog kan bewegen.
Houd bemanningsleden tijdens manoeuvres laag, stabiel en binnenboord. Spreek vooraf af wie de landvast bedient en wie uitkijkt. Niemand springt ongevraagd op de wal en niemand houdt de boot met handen of voeten af. Gebruik daarvoor stootwillen, lijnen en een beheerste aankomst. Een voet tussen boot en steiger verliest vrijwel altijd de discussie.
Draag passende veiligheidsmiddelen en zorg dat de boot is uitgerust voor het vaargebied. Voor een kielbootopleiding horen onder andere een zwemvest per opvarende, een verbandtrommel, een hoorn, stootkussens, voldoende lijnen, een vaarboom of peddel en een bruikbaar anker tot de uitrusting.
Praktische aandachtspunten
Zet voor iedere manoeuvre de boot eerst “netjes”. Schiet losse lijnen op en berg ze zo op dat ze direct beschikbaar blijven, maar niet overboord kunnen vallen. Controleer of er geen landvast achter de spiegel hangt. Kijk daarna naar wind en ruimte. Ook onder motor blijft de wind de hoge opbouw, mast en romp beïnvloeden.
Werk met korte opdrachten aan de bemanning. Zeg vooraf wat je van plan bent: “We varen achteruit weg, jij houdt stuurboord vrij en jij neemt de achterlandvast binnen.” Daardoor voorkom je dat iedereen tegelijk iets nuttigs probeert te doen, wat aan boord verrassend snel verandert in niemand die doet wat nodig is.
Plan ook je ontsnappingsmogelijkheid. Als een aankomst niet goed uitkomt, breek je de manoeuvre tijdig af en begin je opnieuw. Opnieuw proberen is vakmanschap. Met te veel snelheid toch doorzetten is vooral een snelle manier om de kwaliteit van de stootwillen te testen.
Observatiepunten tijdens de praktijk
Een instructeur let erop of je vóór het starten werkelijk rondkijkt en niet alleen een startprocedure afwerkt. Je controleert de ruimte tussen roer en schroef, kijkt of de motor in neutraal staat en houdt losse lijnen uit het water. Tijdens achteruitvaren blijf je naar achteren kijken, houd je de helmstok vast en draai je de motor gecontroleerd.
Aan de boot voel je veel. Komt er plotseling veel druk op de helmstok, dan kan de roerstand te groot zijn of kan de combinatie van roer en schroefwerking de boot ongewenst laten reageren. Hoor je het motorgeluid veranderen zonder dat je aan het gas komt, dan is dat een signaal om op te letten. Kijk ook naar het water achter de boot: waar gaat het schroefwater heen en komt de boot werkelijk in de richting die je had gepland?
Een goede uitvoering ziet er rustig uit. De snelheid blijft laag, de correcties zijn klein en de bemanning weet wat er gaat gebeuren. Een minder goede uitvoering herken je aan haast, grote roeruitslagen, snel wisselend gas, losse lijnen bij het achterschip of een stuurman die vooral naar de motor kijkt en daardoor de rest van het vaarwater vergeet.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is starten zonder eerst achter de boot te kijken. De motor loopt dan prima, maar een losse lijn ligt al klaar voor een innige kennismaking met de schroef. Maak daarom van “mensen, lijnen, roer, neutraal” een vaste controle vóór iedere start.
Een tweede fout is te veel gas geven. Meer gas geeft niet automatisch meer controle. In een haven betekent het vaak vooral dat een kleine stuurfout sneller een grote stuurfout wordt. Manoeuvreer rustig en gebruik alleen het vermogen dat nodig is.
Ook wordt bij achteruitvaren de helmstok soms losgelaten omdat alle aandacht naar het draaien van de motor gaat. Juist dan kan de helmstok hard uitslaan en richting de schroef bewegen. Houd daarom motor en helmstok bewust onder controle en verminder het gas tijdens het draaien.
Verder wordt soms geprobeerd een slechte nadering toch af te maken. De wal komt dichterbij, de bemanning wordt creatief en ineens verschijnen er handen en voeten buitenboord. Breek de manoeuvre eerder af. Een veilige tweede poging is altijd beter dan een spectaculaire eerste.
Ten slotte wordt neutraal soms verward met veilig. Bij een persoon in het water is neutraal niet voldoende. De motor gaat uit. Dat voorkomt dat de schroef door een vergissing, beweging van de bediening of technische oorzaak alsnog gaat draaien.
Samenvatting
Veilig varen met een buitenboordmotor begint vóórdat je aan het startkoord of de startknop komt. Controleer mensen, lijnen, roer, schroef, brandstof en neutraalstand. Gebruik de start- en stopprocedure van de motor aan boord, manoeuvreer met weinig snelheid en houd bij achteruitvaren de helmstok stevig vast. Zorg dat roer en schroef elkaar niet kunnen raken en laat geen lijnen in het water hangen.
Schakel de motor uit wanneer personen direct bij de boot in het water zijn. Herken afwijkende geluiden, houd overzicht over het vaarwater en durf een mislukte manoeuvre tijdig af te breken. Op Kielboot 3-niveau draait motorgebruik niet om stoer gas geven, maar om rustig vooruitdenken.
“Een goede motormanoeuvre eindigt zonder applaus, want niemand merkte dat het spannend had kunnen worden.”
