manoeuvreren op motor – kb2

Manoeuvreren op de motor betekent dat je de kielboot gecontroleerd vooruit en achteruit laat varen, laat draaien, afremt en op de juiste plek tot stilstand brengt. Bij Kielboot 2 gaat het niet alleen om het bedienen van de buitenboordmotor. Je moet zelfstandig vooruitkijken, rekening houden met de wind en herkennen hoe de boot reageert op gas, roer en schroefkracht.

Je oefent vooruitvaren, stoppen, achteruitvaren, keren, aanleggen en wegvaren. Daarbij gebruik je weinig gas en geef je de boot steeds tijd om te reageren. Een kielboot heeft massa en vaart nog even door wanneer jij al lang besloten hebt dat stoppen een uitstekend idee is.

Waarom is dit belangrijk?

Een buitenboordmotor wordt meestal gebruikt waar de manoeuvreerruimte beperkt is, bijvoorbeeld in een haven, bij een steiger of op de eigen ligplaats. Juist daar bevinden zich andere boten, palen, lijnen en mensen. Je moet dus niet alleen weten hoe de motor werkt, maar vooral hoe je met weinig snelheid controle houdt.

Voor Kielboot 2 moet je met ten minste één motortype kunnen omgaan. Je moet kunnen aanleggen en afvaren van hogerwal, keren, stoppen en de boot op de eigen ligplaats afmeren. Ook controleer je of de schroef het roer kan raken. Zijn er mensen direct bij de boot in het water, dan moet de motor uitgeschakeld zijn.

Goed manoeuvreren begint met een plan. Waar komt de wind vandaan? Welke kant wordt de boot opgeduwd zodra je naar neutraal schakelt? Kun je de manoeuvre afbreken? En waar wil je precies stilliggen? Wie deze vragen vooraf beantwoordt, hoeft achteraf meestal minder hard “stootwil!” te roepen.

Leerdoelen

Na afloop kun je de kielboot met weinig gas vooruitvaren en op een rechte koers houden. Je kunt snelheid minderen, de boot gecontroleerd stoppen en achteruitvaren. Je begrijpt dat de boot bij weinig snelheid anders reageert dan wanneer er voldoende water langs het roer stroomt.

Je kunt een ruime en veilige draaibeweging maken en houdt daarbij rekening met wind, vaart en de positie van de buitenboordmotor. Je kunt de boot onder eenvoudige omstandigheden aanleggen, wegvaren en op de eigen ligplaats afmeren.

Je herkent wanneer een manoeuvre niet meer goed uitkomt en breekt deze dan tijdig af. Je werkt veilig rond roer en schroef en schakelt de motor volledig uit wanneer iemand direct bij de boot in het water ligt.

Uitleg

Theorie

Een kielboot draait niet alleen met zijn boeg. Tijdens een bocht beweegt ook het achterschip naar buiten. Bij manoeuvreren vlak bij een steiger, paal of andere boot moet je daarom zowel naar voren als naar achteren kijken.

Het roer werkt doordat water langs het roerblad stroomt. Staat de boot vrijwel stil, dan is de werking van het roer beperkt. Geef je roer terwijl de boot vaart, dan ontstaat zowel een sturende als een remmende kracht. Veel roer geven betekent dus niet automatisch dat de boot veel beter draait. Een grote roeruitslag kan de boot vooral afremmen.

De buitenboordmotor levert schroefkracht. Bij een draaibare motor kun je de richting van die kracht veranderen door de motor te draaien. Je gebruikt dan motor en helmstok samen. Let steeds op de afstand tussen de draaiende schroef en het roer.

De wind blijft tijdens het motorvaren invloed houden. Vooral bij weinig snelheid kan de boeg of het achterschip snel opzij worden gezet. In neutraal levert de motor geen nieuwe aandrijving, maar wind en bestaande vaart blijven de boot verplaatsen.

Uitvoering

Vooruitvaren

Controleer voordat je wegvaart of de vaarweg vrij is en of er geen lijnen bij de schroef liggen. Bepaal waar de wind vandaan komt en bedenk naar welke kant de boot zal wegdrijven.

Ga stabiel op het achterdek zitten. Schakel volgens de procedure van de aanwezige motor rustig vooruit en gebruik weinig gas. Stuur met de gashendel en de helmstok. Kijk langs de boot naar een vast punt op de wal om te controleren of je werkelijk rechtuit vaart.

Geef de boot tijd om te reageren. Een korte beweging met motor of helmstok is vaak voldoende. Blijf je direct nieuwe correcties geven, dan reageer je uiteindelijk vooral op je vorige correctie. Het resultaat lijkt dan op slalommen, maar zonder dat iemand daarom heeft gevraagd.

Een bocht maken

Kijk vóór de bocht of de ruimte aan beide zijden vrij is. Houd rekening met het uitzwenkende achterschip. Verminder zo nodig eerst de snelheid en zet daarna de gewenste bocht in.

Gebruik een beheerste roeruitslag. Houd de motor zo gericht dat de schroefkracht de gewenste draai ondersteunt. Controleer tijdens de bocht niet alleen de boeg, maar ook de spiegel, het roer en de positie van nabijgelegen obstakels.

Zodra de boot de gewenste richting nadert, breng je motor en roer tijdig terug. Wacht niet totdat de boeg al voorbij het doel wijst. Een kielboot draait namelijk nog even door.

Snelheid minderen en stoppen

Neem eerst het gas terug. Zet de aandrijving vervolgens in neutraal en kijk hoeveel vaart de boot nog heeft. Gebruik een punt op de wal om te zien of je nog vooruitgaat.

Wanneer uitlopen niet voldoende is, kun je volgens de bediening van het aanwezige motortype kort tegengestelde schroefkracht gebruiken. Bij het beschreven oefentype wordt voor stoppen of achteruitvaren de motor 180 graden gedraaid. Daarbij wordt het gas verminderd en wordt de schroef van het roer af gericht. Vervolgens wordt naar behoefte gas gegeven om de boot sneller of langzamer te laten stoppen.

Oefen het stoppen eerst op open water. Kies een boei als denkbeeldige stopplaats, vaar er rustig op af en probeer ernaast stil te liggen. Zo ontdek je hoeveel afstand jouw boot nodig heeft bij verschillende snelheden en windrichtingen.

Achteruitvaren

Kijk achteruit voordat je achteruitschroefkracht gebruikt. Bij een motor zonder aparte achteruitversnelling neem je eerst gas terug en draai je de motor volgens de motorinstructie om. Zorg dat de schroef van het roer af staat.

Vaar met weinig gas achteruit en houd de helmstok stevig vast. Bij achteruitvaren kan er onverwacht veel kracht op het roer komen. Bovendien kan de helmstok bij een verkeerde stand in de richting van de draaiende schroef bewegen.

Kijk in de richting waarin de boot beweegt. Let vooral op de spiegel, want die gaat nu voorop. Gebruik kleine correcties en beoordeel steeds eerst het resultaat. De boeg kan door de wind opzij worden gezet, waardoor de boot achteruit een andere lijn volgt dan je op basis van de motorstand verwacht.

Keren

Kijk eerst rondom en kies voldoende vrije ruimte. Keren is een bijzondere manoeuvre waarbij je ander verkeer niet mag hinderen. Begin daarom pas als de vaarweg vrij is.

Vaar langzaam vooruit en zet de bocht in. Verminder gas wanneer de boot voldoende draait. Is de beschikbare ruimte beperkt, dan kun je vooruit- en achteruitschroefkracht afwisselen volgens de bediening van de aanwezige motor. Werk rustig. Een korte, goed gerichte stoot gas is bruikbaarder dan langdurig veel gas geven.

Let tijdens het keren op het achterschip. Juist dat deel komt dicht bij een obstakel terwijl alle ogen tevreden naar de draaiende boeg kijken.

Aanleggen en wegvaren

Maak vóór het aanleggen een plan. Bepaal de windrichting, kies een naderingsrichting, leg landvasten en stootwillen klaar en verdeel de taken. Nader met zo weinig snelheid dat je de manoeuvre nog kunt corrigeren of afbreken.

Bij een langswal kun je vooruit of achteruit vaart minderen totdat de boot vrijwel stil naast de kant ligt. Bij hogerwal kan, wanneer voldoende diepte aanwezig is, met het achterschip eerst worden aangelegd. Bij lagerwal kan de wind worden gebruikt om het laatste stukje gecontroleerd naar de kant te drijven.

Bij het wegvaren bepaal je eerst waar de wind de boot heen zal zetten. Vanaf lagerwal kan achteruit wegvaren ruimte geven. Vanaf hogerwal kan de boot met de motor in neutraal van de kant wegwaaien. Kies alleen een methode die past bij de aanwezige ruimte, de wind en het gebruikte motortype.

Veiligheid

Controleer vóór iedere manoeuvre of er niemand bij de schroef in het water ligt. Bij directe aanwezigheid van personen in het water staat de motor volledig uit. Neutraal is niet voldoende.

Houd landvasten, schoten en losse lijnen uit het water. Een lijn bij de schroef kan vastlopen en de motor of de lijn beschadigen. Berg lijnen daarom zo op dat ze direct gebruikt kunnen worden, maar niet overboord kunnen vallen.

Controleer tijdens het draaien van de motor steeds de afstand tussen roer en schroef. Houd bij achteruitvaren de helmstok goed vast. Ga niet met handen of voeten in de buurt van de schroef zolang de motor loopt.

Laat niemand tussen boot en wal afhouden met handen, voeten of benen. De juiste oplossing voor te veel snelheid is eerder afremmen of opnieuw proberen, niet een bemanningslid als stootwil gebruiken.

Praktische aandachtspunten

Oefen eerst vooruitvaren, neutraal zetten en stoppen op ruim water. Herhaal dit met verschillende beginsnelheden. Je leert dan niet alleen de motor kennen, maar vooral de massa van de kielboot.

Vaar vervolgens een acht rond twee boeien. Gebruik weinig gas en probeer de bochten met vloeiende bewegingen te maken. Kijk na iedere ronde naar je zog. Zie je een rustige lijn of lijkt het alsof de boot ruzie had met elke afzonderlijke waterdruppel?

Oefen ook achteruit naar een punt op de wal. Kijk over je schouder en stuur met kleine bewegingen. Stop zodra je merkt dat je de controle verliest, vaar rustig vooruit en begin opnieuw.

Een goede oefening is het benaderen van een boei alsof deze een steigereinde is. Probeer er zonder aanraken naast stil te liggen. Varieer vervolgens de richting ten opzichte van de wind. Zo merk je dat dezelfde bediening niet in iedere situatie hetzelfde resultaat geeft.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je vóór de manoeuvre rondom kijkt, de windrichting bepaalt en een duidelijk plan maakt. Ook wordt gekeken of je met weinig gas werkt en de boot tijd geeft om te reageren.

Tijdens een bocht moet je niet alleen naar de boeg kijken, maar ook naar het uitzwenkende achterschip. Bij achteruitvaren kijk je daadwerkelijk achteruit en houd je de helmstok stevig vast. De instructeur let bovendien op de afstand tussen roer en schroef.

Je merkt dat het goed gaat wanneer de boot rustig beweegt, de correcties klein blijven en je op tijd gas terugneemt. De motor klinkt gelijkmatig en je hoeft niet voortdurend tussen veel gas, neutraal en tegengestelde kracht te wisselen.

Het gaat minder goed wanneer je steeds grotere correcties nodig hebt, de boot door de gewenste koers heen draait of met te veel snelheid op het doel afgaat. Herken je dit op het water? Neem dan gas terug, ga naar neutraal en maak opnieuw een plan. Rust is ook een manoeuvre.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is te veel gas geven. Omdat een zware kielboot niet onmiddellijk versnelt, geeft de cursist nog wat extra gas. Even later komt alle opgebouwde snelheid tegelijk. Begin met weinig gas en wacht zichtbaar op de reactie.

Een tweede fout is uitsluitend naar de boeg kijken. Tijdens een bocht zwaait het achterschip uit en juist daar bevinden zich de motor, het roer en vaak de dichtstbijzijnde paal. Maak er een gewoonte van om tijdens iedere bocht vooruit én achteruit te kijken.

Ook wordt soms te veel roer gegeven. Daardoor remt de boot sterk af en kan het roer zwaar aanvoelen. Gebruik een kleinere roeruitslag en zorg voor voldoende vaart door het water. Stuur niet harder dan het water langs het roer kan stromen.

Bij achteruitvaren vergeten cursisten regelmatig dat de helmstok onverwacht kan uitslaan. Houd hem vast en geef alleen gecontroleerde correcties. Controleer bovendien dat de schroef van het roer af gericht blijft.

Een andere fout is te laat afremmen. De boot lijkt langzaam te varen, maar heeft nog voldoende massa om enkele meters door te lopen. Oefen daarom bewust met remweg en uitlopen. Hoe eerder je gas terugneemt, hoe kleiner de laatste correctie hoeft te zijn.

Ten slotte proberen cursisten soms een mislukte aanlegmanoeuvre toch af te maken. Kom je te snel, te schuin of op de verkeerde plek uit, breek dan af. Vaar weg, maak ruimte en probeer het opnieuw. Een tweede poging is goedkoper dan een eerste botsing.

Samenvatting

Bij manoeuvreren op de motor draait alles om kijken, plannen en doseren. Je gebruikt weinig gas, houdt rekening met wind en vaart en controleert zowel de boeg als het achterschip. Je weet dat de boot in neutraal blijft doorlopen en dat het roer voldoende waterstroming nodig heeft om goed te werken.

Bij achteruitvaren kijk je achteruit en houd je de helmstok stevig vast. Bij draaien en stoppen let je voortdurend op de positie van roer en schroef. Voor het aanleggen leg je stootwillen en landvasten klaar en nader je met zo weinig snelheid dat je nog kunt corrigeren.

Zijn er mensen direct bij de boot in het water, dan staat de motor uit. Komt een manoeuvre niet goed uit, dan breek je tijdig af en probeer je het opnieuw.

“Weinig gas, veel kijken en altijd weten waar je achterkant uithangt.”