Een goede ankerplaats kies je vóórdat het anker overboord gaat. Op Kielboot 3-niveau kijk je niet alleen naar de plek waar je wilt stilliggen, maar ook naar de waterdiepte, bodemgesteldheid, windrichting, beschikbare ruimte en mogelijkheden om weer veilig weg te varen. Het anker moet zich kunnen ingraven en de boot moet tijdens het ankeren vrijwel met de boeg in de wind blijven.
Een rustig hoekje achter een eiland kan aantrekkelijk lijken, maar dat maakt het nog niet automatisch een goede ankerplaats. Misschien is het er te ondiep, bestaat de bodem uit slecht houdend materiaal of drijf je na het vieren van de ankerlijn verrassend dicht naar de lagerwal. Op het water blijkt “ongeveer goed” soms een bijzonder nauwkeurige manier om precies verkeerd uit te komen.
Waarom is dit belangrijk?
Het anker houdt de boot alleen veilig op zijn plaats wanneer het bij de bodem past, voldoende ruimte krijgt om zich in te graven en de boot nergens tegenaan kan draaien of afdrijven. De plaats waar het anker de bodem raakt, is bovendien niet dezelfde plaats waar de boot uiteindelijk blijft liggen. Terwijl je de ankerlijn viert, drijft de boot met de wind mee. Je hebt daarom ruimte nodig achter de gekozen ankerplek.
Een verkeerde keuze kan ertoe leiden dat het anker krabt, de boot een vaargeul binnendraait of de lagerwal nadert. Ook moet je vooruitdenken over het vertrek. Na het ankerop gaan heb je aan beide zijden voldoende ruimte nodig om weg te zeilen. Een ankerplaats is dus pas geschikt wanneer je er veilig kunt aankomen, blijven liggen én vertrekken.
Leerdoelen
Na afloop kun je zelfstandig een geschikte ankerplaats voor een kielboot beoordelen. Je kunt rekening houden met windrichting, waterdiepte, bodemgesteldheid, afstand tot de wal, scheepvaart en de ruimte die de boot achter het anker nodig heeft. Je begrijpt waarom je de ankerplaats eerst zeilend verkent en waarom je vooraf bepaalt over welke boeg je na het ankerop gaan wilt wegvaren.
Je kunt tijdens het stilliggen controleren of het anker houdt en herkent het verschil tussen normaal gieren en werkelijk afdrijven. Wanneer de omstandigheden veranderen of het anker krabt, onderneem je tijdig actie. Op Kielboot 3-niveau wacht je niet tot het riet achter de spiegel verdacht dichtbij komt.
Uitleg
Theorie
Een voor anker liggende kielboot wijst met de boeg ongeveer naar de wind. De boot kan daarbij rond de ankerplaats heen en weer bewegen. Dit noemen we gieren. Dat is normaal, zolang het anker op dezelfde plaats blijft liggen. De ruimte waarin de boot kan bewegen wordt bepaald door de lengte van de gevierde ankerlijn en de beweging van de boot.
Bij het kiezen van de ankerplaats kijk je eerst naar de waterdiepte. Er moet voldoende water onder de kiel blijven, ook als de boot giert of door golven beweegt. Tegelijk mag het niet zo diep zijn dat je onvoldoende ankerlijn beschikbaar hebt om het anker goed te laten houden. In het gebruikte Kielboot 3-lesmateriaal wordt voor de oefening uitgegaan van ongeveer vijf tot zes maal de waterdiepte aan ankerlijn.
Daarna beoordeel je de bodemgesteldheid. Het anker moet zich in de bodem kunnen ingraven. Een geschikte bodem en een geschikt ankertype horen dus bij elkaar. Een Danforthanker heeft bijvoorbeeld scherpe vloeien die zich in de bodem kunnen ingraven. Niet ieder licht of opvouwbaar anker biedt onder dezelfde omstandigheden dezelfde houdkracht.
De windrichting bepaalt waar de boot na het ankeren komt te liggen. Het anker gaat uit op de gekozen plek, waarna de boot naar lij wegdrijft terwijl de lijn wordt gevierd. Kijk daarom vooral naar wat zich benedenwinds bevindt. Een nabijgelegen lagerwal, steiger, ondiepte of vaargeul kan een plek ongeschikt maken, ook als het water rond het anker zelf prachtig vrij lijkt.
Houd ook rekening met een mogelijke winddraaiing. Wanneer de wind draait, draait de boot mee rond het anker. De ruimte die eerst veilig was, kan daardoor ineens richting een obstakel komen te liggen. Herken je dit op het water? Bij aankomst lijkt de wal ruim op afstand, terwijl diezelfde wal na een winddraaiing ineens opvallend groot wordt.
Uitvoering
Verken de gewenste plaats eerst zeilend. Vaar rustig langs het gebied en bepaal waar de wind vandaan komt. Kijk naar de beschikbare ruimte, de andere scheepvaart, boeien, oevers en mogelijke ondieptes. Controleer zo nodig de waterdiepte en bodemgesteldheid voordat je de ankermanoeuvre begint.
Bepaal vervolgens waar je het anker wilt laten zakken en schat waar de boot terechtkomt nadat de ankerlijn is gevierd. Kijk daarbij vanaf de ankerplek in de richting waarin de wind waait. Daar moet voldoende ruimte liggen voor de boot en de gevierde lijn. Kies liever wat meer afstand tot een lagerwal dan een plek waarbij alles alleen goed gaat zolang niemand niest.
Controleer ook de vertrekroutes. Na het ophalen van het anker moet je over een veilige boeg kunnen volvallen. Voor een Kielboot 3-oefening hoort er aan zowel bakboord als stuurboord voldoende ruimte te zijn om weg te zeilen. Je moet niet na het binnenhalen van het anker ontdekken dat de ene kant naar een steiger leidt en de andere naar drie vissers en een bijzonder boze zwaan.
Maak vóór de manoeuvre de taakverdeling duidelijk. Eén persoon bedient het anker en de ankerlijn, terwijl de schipper de boot en omgeving bewaakt. De ankerlijn moet zonder kinken klaarliggen en het andere uiteinde moet aan een degelijk punt van de boot zijn bevestigd. Zorg ervoor dat er geen lijn om het anker ligt en dat niemand in een lus van de ankerlijn staat.
Vaar de gekozen ankerplaats gecontroleerd aan. Je kunt de boot in de wind tot stilstand brengen of aan de wind met een sliplanding afremmen. Laat het anker rustig zakken en laat de boot met de wind wegdrijven terwijl de lijn beheerst wordt gevierd. Het anker wordt niet als een wedstrijdkogel het water in geslingerd. Het moet netjes op de bodem komen en gelegenheid krijgen om zich in te graven.
Controleer vervolgens of het anker houdt. Kies twee herkenbare punten op de wal die achter elkaar liggen. Wanneer deze punten ten opzichte van elkaar verschuiven, verandert je positie. Houd daarbij rekening met het normale gieren van de boot. Controleer meerdere keren en vergelijk de positie telkens wanneer de boot ongeveer dezelfde kant op wijst.
Veiligheid
Anker niet in een vaargeul, bij een brugopening, vlak voor een havenmonding of op een plaats waar je andere scheepvaart hindert. Houd rekening met schepen die door hun diepgang alleen in een bepaald deel van het water kunnen varen. Een plaats is niet veilig omdat er op dat moment niemand vaart. Een goede ankerplaats blijft ook bruikbaar wanneer ander verkeer passeert.
Anker bovendien niet te dicht bij lagerwal. Als het anker niet pakt of later gaat krabben, verplaatst de boot zich met de wind richting de wal. Je hebt tijd en ruimte nodig om het probleem te herkennen, de boot weer zeilklaar te maken en weg te varen.
De ankermaat werkt laag en stabiel in de boot. Niemand staat in lussen van de ankerlijn en handen blijven uit de buurt van plaatsen waar de lijn klem kan raken. Tijdens het vieren en beleggen kan plotseling kracht op de lijn ontstaan. Een ankerlijn doet niet aan beleefd waarschuwen voordat hij strak komt te staan.
Blijf ook na het ankeren controleren. Toenemende wind, een draaiende wind of hogere golven kunnen ervoor zorgen dat het anker losbreekt. Verandert de achtergrondpeiling voortdurend in dezelfde richting, dan krabt het anker waarschijnlijk. Onderneem dan direct actie: zorg dat de boot kan wegzeilen en kies zo nodig een andere ankerplaats.
Praktische aandachtspunten
Een geschikte ankerplaats voldoet aan vijf praktische voorwaarden. De bodem geeft het anker gelegenheid zich in te graven, de waterdiepte past bij de beschikbare ankerlijn, benedenwinds ligt voldoende vrije ruimte, de plek ligt buiten hinderlijk vaarwater en er zijn veilige vertrekmogelijkheden over bakboord en stuurboord.
Kijk bij het verkennen niet alleen naar de directe omgeving van de boot. Stel je voor dat het anker al op de bodem ligt en teken in gedachten de cirkel waarin de boot kan bewegen. Welke wal, boei of andere boot ligt binnen die ruimte? Wat gebeurt er wanneer de wind dertig graden draait? Kun je dan nog steeds vrij liggen?
Controleer ten slotte of je vanaf de ankerplaats een duidelijke achtergrondpeiling kunt maken. Een prachtige open plas zonder herkenbare punten aan de wal kan het lastiger maken om kleine verplaatsingen te zien. Gebruik markante bomen, gebouwen, palen of andere vaste objecten die ten opzichte van elkaar goed zichtbaar zijn.
Observatiepunten tijdens de praktijk
Een instructeur let erop of je de ankerplaats bewust kiest en je keuze kunt uitleggen. Je kijkt naar diepte, bodem, windrichting, scheepvaart en vrije ruimte. Je moet kunnen aanwijzen waar het anker komt te liggen, waar de boot na het vieren van de lijn uitkomt en over welke boeg je later wilt wegvaren.
Tijdens de verkenning blijf je de boot beheerst varen. Je aandacht gaat niet zo volledig naar de bodem en de wal dat je andere schepen vergeet. De manoeuvre wordt voorbereid terwijl er nog tijd en ruimte zijn. Bemanningsleden weten wat hun taak is en de ankerlijn ligt vrij van kinken en lichaamsdelen.
Na het ankeren controleer je zichtbaar of het anker houdt. De boot mag om het anker gieren, maar mag niet onbeheerst naar achteren blijven bewegen. Let op het gevoel aan boord: komt er gelijkmatig spanning op de lijn en draait de boeg terug in de wind, of blijft de hele omgeving langzaam voorbijschuiven? In dat tweede geval is het anker waarschijnlijk op wandelvakantie.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is dat de schipper alleen naar de plaats kijkt waar het anker overboord gaat. Hierdoor wordt vergeten dat de boot tijdens het vieren van de lijn een flink stuk naar lij beweegt. Kies de plek daarom vanuit de uiteindelijke positie van de boot terug naar de plaats waar het anker moet komen.
Een tweede fout is ankeren zonder de waterdiepte en bodem te beoordelen. Als de lijn te kort blijft, krijgt het anker onvoldoende gelegenheid om zich goed in te graven. Als de bodem niet geschikt is, kan zelfs een keurige manoeuvre eindigen met een krabbend anker. Een mooie uitvoering maakt een verkeerde plek helaas niet beter.
Ook wordt normale beweging rond het anker soms verward met krabben. Vergelijk je positie daarom met vaste punten op de wal en doe dat meerdere keren. Kijk niet alleen naar één boom, want een varende boot draait en verandert daardoor voortdurend van kijkhoek.
Ten slotte wordt soms alleen gedacht aan het aankomen. Pas bij het ankerop gaan blijkt dan dat veilige uitvaarmogelijkheden ontbreken. Kies vooraf de gewenste vertrekboeg en controleer of ook de andere kant bruikbaar blijft. Een goede ankerplaats geeft je opties, geen puzzel zonder oplossing.
Samenvatting
Een goede ankerplaats biedt voldoende waterdiepte, een bodem waarin het anker zich kan ingraven en genoeg vrije ruimte om achter het anker te liggen en te gieren. De plek ligt buiten hinderlijk vaarwater en op veilige afstand van lagerwal, ondieptes en andere obstakels.
Op Kielboot 3-niveau verken je de plaats zelfstandig, bereken je waar de boot na het vieren van de lijn terechtkomt en denk je vooruit over het ankerop gaan. Je verdeelt de taken, controleert met een achtergrondpeiling of het anker houdt en grijpt direct in wanneer de boot blijft afdrijven.
“Een goed anker houdt de boot vast, maar een goede schipper houdt vooral de omgeving in de gaten.”
