Bij het uitvoeren van een ankermanoeuvre leg je de kielboot gecontroleerd stil op open water. Je vaart de gekozen ankerplaats rustig aan, brengt de boot vrijwel met de boeg in de wind, laat het anker beheerst zakken en viert voldoende ankerlijn om het anker te laten ingraven. Daarna controleer je of het anker werkelijk houdt.
Op Kielboot 3-niveau voer je deze manoeuvre zelfstandig uit. Je stuurt niet alleen de boot, maar organiseert ook de bemanning, bewaakt de omgeving en herkent direct wanneer het anker niet pakt. De kunst is om de manoeuvre rustig te laten verlopen, ook wanneer de wind aantrekt en lagerwal ineens veel dichterbij lijkt dan tijdens de voorbereiding.
Waarom is dit belangrijk?
Een anker kan in een noodsituatie voorkomen dat de boot naar lagerwal, een ondiepte of een ander gevaar afdrijft. Het is ook een manier om de boot op open water stil te leggen. Voor Kielboot 3 moet je het aanwezige anker in een noodsituatie kunnen gebruiken, waarbij het anker vrij moet zijn van lijnen, zich moet kunnen ingraven en de boot tijdens het ankeren vrijwel met de boeg in de wind moet blijven.
Een goede uitvoering geeft controle. De boot komt beheerst tot stilstand, de ankerlijn loopt zonder knopen uit en het anker krijgt gelegenheid om zich in de bodem vast te zetten. Een slechte uitvoering levert het tegenovergestelde op: een boot die dwars op de wind komt, een ankerlijn die met grote haast door de kuip reist en een bemanning die ontdekt dat voeten uitstekend in lussen passen. Dat laatste is leerzaam, maar niet op de gewenste manier.
Leerdoelen
Na afloop kun je zelfstandig naar een gekozen ankerplaats varen en de boot daar gecontroleerd tot stilstand brengen. Je kunt het juiste moment bepalen om het anker te laten zakken, de lijn beheerst vieren en zo nodig remmend steken om de boeg terug in de wind te brengen.
Je kunt met een achtergrondpeiling controleren of het anker houdt. Je herkent normaal gieren, maar ziet ook wanneer de boot blijft afdrijven en het anker dus krabt. Je houdt de bemanning veilig, geeft duidelijke commando’s en rondt de manoeuvre af door de zeilen te strijken, de ankerlijn correct te beleggen en het ankeren kenbaar te maken met het daarvoor bestemde dagteken.
Uitleg
Theorie
Een anker houdt niet alleen door zijn gewicht. Het moet zich in de bodem kunnen ingraven. Daarvoor is voldoende horizontale trekkracht nodig. Door genoeg ankerlijn te vieren, wordt de trekkracht op het anker minder omhoog en meer langs de bodem gericht. In het beschikbare lesmateriaal wordt bij de oefening uitgegaan van ongeveer vijf tot zes maal de waterdiepte; een ander instructeursdocument noemt ongeveer zes maal de waterdiepte.
Wanneer de ankerlijn spanning krijgt, draait de boot met de boeg naar het anker en daarmee ongeveer naar de wind. De boot kan vervolgens heen en weer bewegen. Dat noemen we gieren. Zolang het anker op dezelfde plaats blijft liggen, is enige beweging normaal. Blijft de complete boot echter naar lij verplaatsen, dan krabt het anker.
Tijdens het vieren moet het zeil zo weinig mogelijk aandrijving leveren. Een vol grootzeil trekt de boot vooruit en kan voorkomen dat het anker rustig pakt. Daarom wordt het grootzeil gevierd en wordt de fok eventueel vooraf gestreken. Zodra het anker houdt, worden de resterende zeilen zo spoedig mogelijk gestreken.
Uitvoering
Vaar de ankerplaats aan op een aan-de-windse of hoog-aan-de-windse koers. Houd voldoende snelheid om bestuurbaar te blijven, maar kom niet met wedstrijdtempo binnen. De ankermaat zit laag en stabiel klaar bij het anker en herhaalt de commando’s van de stuurman.
Er zijn twee bruikbare manieren om op de ankerplaats tot stilstand te komen. Bij deinzen vaar je hoog aan de wind naar de plek en stuur je de boot vervolgens in de wind. De zeilen verliezen hun druk, de boot vertraagt en begint achteruit te bewegen. Bij een sliplanding nader je aan de wind en laat je de boot gecontroleerd op de gekozen plaats tot stilstand komen.
Zodra de boot vrijwel stilligt en achteruit begint te bewegen, geeft de stuurman het afgesproken commando. De ankermaat laat het anker beheerst over de boeg zakken. Niet gooien. Een anker is geen discus en de vaarplas geen olympisch stadion. Het anker moet vrij naar de bodem kunnen zakken zonder in zijn eigen lijn terecht te komen.
Laat de boot vervolgens op de wind achteruitdrijven en vier de ankerlijn geleidelijk. Voel wat er in de lijn gebeurt. Eerst loopt de lijn vrij en voelt hij licht. Zodra het anker de bodem raakt en begint te grijpen, neemt de spanning toe. Als de boeg tijdens het vieren wegdraait, kan de ankermaat de lijn tijdelijk afremmen. Dit wordt remmend steken genoemd. De spanning helpt de boeg dan weer naar het anker en de wind te draaien. Daarna wordt de lijn verder gevierd.
Wanneer voldoende lijn is gevierd, laat je geleidelijk spanning opkomen. Beleg de lijn op de daarvoor bedoelde kikker. Controleer vervolgens of het anker pakt. Kijk daarvoor naar twee vaste punten op de wal die achter elkaar liggen. Verschuiven deze punten blijvend ten opzichte van elkaar terwijl de boot ongeveer dezelfde richting op wijst, dan verandert je positie en krabt het anker waarschijnlijk.
Houdt het anker, strijk dan het grootzeil en eventueel de nog staande fok. Ruim de zeilen zo op dat ze geen wind meer vangen en de ankerlijn niet hinderen. Hijs daarna de ankerbol wanneer dat voor de situatie en het vaargebied is voorgeschreven. Een zwarte bol is het dagteken waarmee wordt aangegeven dat een schip voor anker ligt.
Veiligheid
De ankermaat blijft tijdens de manoeuvre laag in de boot. In het instructiemateriaal wordt geadviseerd om op de knieën te werken, zodat de kans om overboord te vallen kleiner wordt. Niemand staat in een lus van de ankerlijn en handen blijven uit de buurt van de kikker en andere knelpunten. Een langzaam uitlopende lijn kan binnen een seconde strak staan.
Het anker wordt gecontroleerd neergelaten en niet geworpen. Laat de lijn niet ongecontroleerd door de handen schieten. Begeleid hem, maar probeer hem nooit met een hand rond de lijn tegen te houden. Als remmen nodig is, doe je dat beheerst met de daarvoor bedoelde bevestiging of techniek.
Blijf tijdens de hele manoeuvre om je heen kijken. De boot is eerst nog varend en daarna beperkt manoeuvreerbaar. Andere scheepvaart, lagerwal en ondieptes verdwijnen niet uit beleefdheid omdat jij met een anker bezig bent.
Als het anker niet houdt, handel je direct. Blijf niet eindeloos extra lijn vieren terwijl de boot naar een gevaarlijke plek afdrijft. Zorg dat de boot weer kan varen en voer de manoeuvre opnieuw uit op een betere plaats. Tijdens het verblijf voor anker blijf je regelmatig controleren of het anker krabt.
Praktische aandachtspunten
Gebruik tijdens de uitvoering een rustige en herkenbare volgorde:
- Vaar gecontroleerd naar de gekozen ankerplaats.
- Breng de boot aan de wind of in de wind tot stilstand.
- Strijk zo nodig de fok.
- Controleer of de boot achteruit begint te bewegen.
- Geef het commando om het anker te laten zakken.
- Vier de ankerlijn geleidelijk terwijl de boot achteruitdrijft.
- Gebruik zo nodig remmend steken om de boeg in de wind te houden.
- Vier voldoende lijn en beleg deze op de voorkikker.
- Controleer met een achtergrondpeiling of het anker houdt.
- Strijk de resterende zeilen en hijs het voorgeschreven dagteken.
Laat de ankermaat de belangrijke commando’s herhalen. Zo weet de stuurman dat de opdracht begrepen is. Spreek ook af dat de ankermaat meldt wanneer het anker op de bodem ligt, wanneer de afgesproken hoeveelheid lijn is gevierd en wanneer er spanning op de lijn komt.
Observatiepunten tijdens de praktijk
Een instructeur let erop of je de boot beheerst en vrijwel in de wind tot stilstand brengt. Het anker moet op het juiste moment uitgaan, niet terwijl de boot nog met flinke snelheid vooruitvaart. Ook wordt gekeken of de lijn rustig en zonder kinken uitloopt en of de boot tijdens het vieren met de boeg naar de wind blijft wijzen.
Je moet zelf voelen wat de ankerlijn vertelt. Loopt hij nog vrij, sleept het anker over de bodem of komt er een stevige, gelijkmatige spanning op? Kijk tegelijk naar de beweging van de boot. Draait de boeg terug naar de wind en komt de achterwaartse beweging tot stilstand, dan zijn dat aanwijzingen dat het anker pakt.
De instructeur kijkt daarnaast naar je overzicht en communicatie. Wacht je rustig op het goede moment? Weet de ankermaat wat er moet gebeuren? Controleer je andere scheepvaart en je afstand tot lagerwal? Op Kielboot 3-niveau moeten de basisvaardigheden voldoende beheerst zijn om je aandacht aan de volledige ankermanoeuvre te kunnen geven.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is het anker laten zakken terwijl de boot nog vooruitvaart. De lijn kan dan onder de boot terechtkomen of het anker wordt over de bodem meegesleept voordat het goed ligt. Breng de boot daarom eerst vrijwel tot stilstand en wacht tot zij begint te deinzen.
Ook wordt de lijn soms te snel of volledig ongecontroleerd gevierd. Daardoor kunnen lussen over elkaar vallen, kan de lijn schokkerig strak komen te staan of draait de boot dwars op de wind. Vier beheerst en gebruik remmend steken wanneer de boeg wegdraait.
Een andere fout is te weinig lijn geven. Het anker krijgt dan onvoldoende gelegenheid om zich in te graven. Gebruik bij de oefening de afgesproken verhouding tot de waterdiepte en controleer daarna altijd of het anker houdt. Een theoretisch juiste lijnlengte vervangt de achtergrondpeiling niet.
Sommige cursisten verwarren gieren met krabben. Kijk daarom niet alleen naar één punt op de wal, maar gebruik twee vaste achtergrondpunten en vergelijk je positie wanneer de boot ongeveer dezelfde richting op wijst. Bij gieren verandert vooral de kijkhoek. Bij krabben schuift de volledige positie van de boot naar lij.
Ten slotte worden de zeilen soms te vroeg gestreken. Als het anker vervolgens niet houdt, is de boot niet direct meer manoeuvreerbaar. Controleer daarom eerst of het anker pakt en strijk daarna zo spoedig mogelijk de resterende zeilen.
Samenvatting
Bij het uitvoeren van een ankermanoeuvre vaar je de gekozen plaats beheerst aan en breng je de boot vrijwel met de boeg in de wind tot stilstand. Zodra de kielboot achteruit begint te bewegen, laat de ankermaat het anker gecontroleerd zakken. Daarna vier je de lijn geleidelijk en houd je de boeg met remmend steken zo nodig in de wind.
Wanneer voldoende lijn is gevierd, controleer je met een achtergrondpeiling of het anker werkelijk houdt. Pas daarna strijk je de resterende zeilen en maak je het stilliggen kenbaar met het voorgeschreven dagteken. Blijf tijdens het verblijf voor anker controleren op krabben en zorg dat je bij problemen direct weer kunt gaan varen.
“Laat het anker rustig zakken, dan hoeft je hartslag niet mee naar beneden.”
