veiligheid – kb2

Veilig zeilen begint niet pas wanneer er iets misgaat. Het begint al op de steiger, wanneer je het weer beoordeelt, de boot controleert en kijkt of iedereen passende kleding en een goed reddingsvest draagt. Op Kielboot 2-niveau wordt van je verwacht dat je steeds zelfstandiger vooruitkijkt: wat kan er gebeuren, wat zie je veranderen en welke actie is verstandig?

Tijdens het varen let je niet alleen op je eigen boot. Je houdt ook het weer, de bemanning en andere scheepvaart in de gaten. Je leert een weersomslag herkennen, geeft grote schepen voldoende ruimte en weet wat je moet doen wanneer iemand overboord raakt of de boot omslaat. Veiligheid is dus geen los theoriehoofdstuk. Het vaart de hele dag met je mee.

Waarom is dit belangrijk?

Bij Kielboot 1 voer je veel handelingen uit onder begeleiding. Bij Kielboot 2 moet je zelf eerder zien wanneer een situatie onveilig dreigt te worden. Je merkt bijvoorbeeld dat de wind aantrekt, dat de boot steeds verder helt of dat de bemanning moeite krijgt om de schoten te bedienen. Je wacht dan niet tot iedereen met grote ogen naar de witte koppen op het water kijkt, maar past je plan aan.

Veilig varen geeft rust aan boord. Wanneer de bemanning weet wat er gaat gebeuren en wie welke taak heeft, worden manoeuvres overzichtelijker. Dat is vooral belangrijk bij opkruisen in nauw vaarwater, een gijp, het reven van het zeil en de man-overboordmanoeuvre. Voor Kielboot 2 geldt als vaargebied: meren en plassen onder niet te moeilijke omstandigheden, op niet te druk vaarwater, overdag, met voldoende zicht en tot en met windkracht 4 Beaufort.

Leerdoelen

Na afloop kun je de belangrijkste veiligheidsrisico’s voor een kielboot herkennen en passende maatregelen nemen. Je kunt vóór vertrek beoordelen of boot, bemanning en weer bij elkaar passen. Je controleert de inventaris, zorgt dat iedereen goed gekleed is en weet wanneer een reddingsvest gedragen moet worden.

Je kunt uitleggen waarom je na het omslaan bij de boot blijft. Je herkent signalen van een weersomslag en weet dat je bij Kielboot 2 niet alleen naar de windkracht kijkt, maar ook naar het vaarwater, het type boot en de ervaring van de bemanning. Daarnaast begrijp je de risico’s van grote schepen, waaronder hun dode hoek, zuiging, diepgang en verlijering.

Uitleg

Theorie

Veiligheid bestaat uit vier onderdelen die voortdurend met elkaar samenwerken: mens, schip, weer en omgeving. Een sterke of ervaren bemanning kan meer aan dan een onervaren bemanning, maar ervaring maakt een ondeugdelijke boot of naderend onweer natuurlijk niet onschadelijk.

Voor Kielboot 2 moet je vóór vertrek de inventaris controleren en nagaan of het schip schoon, droog en bruikbaar is. Onder andere de tuigage, reefmogelijkheden, hoosmogelijkheid, sleeppunten, landvasten, stootkussens, scheepshoorn, vaarboom of peddel, anker, verbandtrommel en zwemvesten behoren tot de benodigde uitrusting van een opleidingsboot.

Ook de bemanning vraagt aandacht. Iedereen moet passende kleding dragen en zich kunnen aanpassen wanneer de omstandigheden veranderen. Op het water voelt de temperatuur vaak minder vriendelijk dan aan de wal. Natte kleding en wind zijn samen een bijzonder efficiënt koelsysteem, maar zelden op de prettige manier.

Uitvoering

Maak vóór het losgooien een korte veiligheidsronde. Controleer of de vallen en schoten vrij lopen, of de sluitingen goed zitten, of de kraanlijn is aangeslagen en of er geen losse spullen door de kuip zwerven. Controleer ook of voor iedere opvarende een passend vest aanwezig is.

Bespreek daarna kort het plan met de bemanning. Vertel waar je heen gaat, wat de verwachte wind is en wie tijdens manoeuvres welke taak uitvoert. Bij Kielboot 2 hoef je geen vergadering met notulen te organiseren. Een kort en duidelijk plan werkt beter: “We varen eerst halve wind naar de overkant. Jij bedient de fok en kijkt mee naar andere schepen.”

Tijdens het varen blijf je controleren. Verandert de windrichting? Worden de vlagen sterker? Neemt de helling toe? Moet de stuurman steeds harder aan het roer trekken? Wordt iemand aan boord koud, misselijk of onzeker? Veilig varen betekent dat je zulke signalen opmerkt voordat ze een probleem worden.

Wanneer de omstandigheden daarom vragen, verklein je het zeiloppervlak. Of reven nodig is, hangt af van het schip, het zeilwater, de windkracht en de geoefendheid van de bemanning. Op Kielboot 2 moet je die afweging kunnen maken en op de eigen boot kunnen reven wanneer dat noodzakelijk is.

Veiligheid

Reddingsvest

Een reddingsvest moet bij de drager passen en correct worden vastgemaakt. In het Kielboot 2-materiaal wordt onder andere genoemd dat een reddingsvest de drager op de rug moet kunnen draaien, de mond boven water moet houden en informatie moet bevatten over het drijfvermogen en het passende lichaamsgewicht.

Draag het vest in ieder geval wanneer de verantwoordelijke schipper of instructeur dit aangeeft en wanneer je kleding draagt die het zwemmen kan bemoeilijken, zoals regenkleding of laarzen. Zelfstandig veiligheidsgedrag betekent bovendien dat je niet wacht tot iemand anders zegt dat een vest verstandig is.

Omslaan

Als de boot omslaat, blijf je bij de boot. Aan of op de boot koel je minder snel af dan wanneer je naar de wal probeert te zwemmen. Zwemmen kost bovendien veel energie, terwijl een boot voor hulpverleners beter zichtbaar is dan een hoofd tussen de golven.

Blijf rustig, controleer of iedereen aanwezig is en zorg dat de groep bij elkaar blijft. Het eerste doel is niet om stoer naar de wal te sprintzwemmen. Het eerste doel is voorkomen dat één probleem verandert in vijf losse problemen die ieder een andere kant op drijven.

Man overboord

De man-overboardmanoeuvre is een praktijkonderdeel van Kielboot 2. Zodra iemand overboord raakt, wordt dit duidelijk geroepen. Iemand houdt de drenkeling voortdurend in het oog en wijst naar die persoon. De stuurman vaart een gecontroleerde manoeuvre terug, regelt de snelheid en zorgt dat de drenkeling veilig kan worden vastgepakt en binnengehaald. Daarna wordt de boot rustig gehouden en wordt zo nodig eerste hulp toegepast.

De exacte uitvoering oefen je onder begeleiding op het type kielboot waarmee je vaart. Belangrijker dan razendsnel heen en weer sturen is dat je de drenkeling blijft zien, de boot onder controle houdt en duidelijk communiceert.

Weersomslag

Voor Kielboot 2 moet je een weerbericht kunnen interpreteren in relatie tot je eigen vaardigheid. Je let hierbij niet alleen op de voorspelde windkracht, maar ook op windrichting, neerslag, zicht en mogelijke veranderingen. Voortekenen van een plotselinge weersomslag zijn onder andere snel opkomende bewolking, bloemkoolachtige stapelwolken, plotseling toenemende wind, stilte voor een bui en een snelle verandering van windrichting.

Herken je dit op het water? De wind valt plotseling weg, de lucht wordt donker en aan de horizon groeit een stapelwolk alsof iemand hem met een fietspomp opblaast. Dat is niet het moment om nog één leuk rakje te varen. Beoordeel direct waar je veilig kunt schuilen of aanleggen.

Grote schepen

Grote schepen hebben een dode hoek. Wanneer je te dicht bij het schip vaart, kan de schipper je mogelijk niet zien. Daarnaast duwt de boeg water weg, waarna het langs de zij- en achterkant weer wordt aangezogen. Kleine boten en personen in het water moeten daarom ruim uit deze gebieden blijven.

Door hun diepgang zijn grote schepen vaak gebonden aan de vaargeul. Zij kunnen daardoor niet zomaar voor een kielboot uitwijken. Ook kunnen grote schepen door zijwind verlijeren, waardoor zij meer ruimte innemen dan hun vaarrichting op het eerste gezicht doet vermoeden. Geef grote schepen daarom vroeg en duidelijk ruimte.

Praktische aandachtspunten

Houd de kuip opgeruimd. Een losse landvast rond je enkel is geen extra veiligheidslijn, maar een uitnodiging voor een onverwachte zwemles. Schiet lijnen daarom netjes op en leg materiaal zo weg dat het bereikbaar blijft zonder in de looproute te liggen.

Laat de bemanning zo veel mogelijk vanuit de kuip werken. Bij het verhalen van het schip moet gevaar voor bemanning, materiaal en andere scheepvaart worden voorkomen.

Kijk tijdens het zeilen regelmatig achterom. Een groot schip dat je oploopt, zie je niet wanneer je alleen bewonderend naar je eigen fok kijkt. Laat de bemanning mee uitkijken en gebruik duidelijke meldingen, bijvoorbeeld: “Motorboot achter ons aan stuurboord” of “Groot schip uit de vaargeul.”

Veiligheid zit ook in kleine gewoonten. Stap aan de loefzijde aan wal in plaats van te springen, houd handen en voeten binnenboord bij het aanleggen en nader de wal met een beheerste snelheid. Als een aanlegmanoeuvre niet goed uitkomt, breek je tijdig af en probeer je het opnieuw. De beste aankomst is niet de spectaculairste, maar degene waarbij niemand achteraf hoeft te vragen wie de kade heeft verplaatst.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur kijkt of je vóór vertrek uit jezelf aandacht besteedt aan kleding, reddingsvesten, inventaris en weersomstandigheden. Tijdens het varen wordt gelet op je omgevingsbewustzijn. Kijk je regelmatig om je heen? Zie je een bui of groot schip vroeg aankomen? Blijf je ook tijdens een moeilijke manoeuvre aandacht houden voor de rest van het vaarwater?

Bij Kielboot 2 verwacht de instructeur een alertere manier van varen dan bij Kielboot 1. Je reageert sneller op veranderingen en gebruikt de basismanoeuvres om een veilige oplossing te kiezen. Je ziet bijvoorbeeld dat een gijp onrustig of riskant wordt en kiest dan voor het vermijden van de gijp door overstag te gaan. Je merkt dat de boot te zwaar belast wordt en vermindert tijdig de druk in het zeil of besluit te reven.

Let zelf op wat je aan de boot voelt. Neemt de druk op het roer toe? Helt de boot steeds verder ondanks een verplaatste bemanning? Moet je voortdurend grote correcties maken? Dat zijn aanwijzingen dat de boot niet meer ontspannen vaart. Goed veiligheidsinzicht herken je doordat je corrigeert voordat de situatie spannend wordt.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is alleen naar het getal van de windkracht te kijken. Vier Beaufort kan onder overzichtelijke omstandigheden passend zijn voor Kielboot 2, maar het vaarwater, de temperatuur, het zicht, het type schip en de ervaring van de bemanning blijven medebepalend. Een grens is geen uitnodiging om hem altijd op te zoeken.

Een tweede fout is te laat reven. Cursisten hopen soms dat de wind vanzelf weer afneemt, terwijl de boot steeds schuiner gaat en de roerdruk toeneemt. Begin liever vroeg met nadenken over reven. Op rustig water is een rif zetten een handeling. In een harde bui wordt dezelfde handeling ineens een groepsproject met veel geschreeuw.

Ook wordt een reddingsvest soms te los gedragen. Een vest werkt alleen goed als het passend en correct gesloten is. Controleer daarom niet alleen óf iemand een vest draagt, maar ook of het goed zit.

Na omslaan kiezen mensen soms instinctief voor de wal. Dat lijkt dichtbij, maar afstand op het water is lastig in te schatten. Blijf bij de boot, blijf bij elkaar en voorkom onnodig energieverlies.

Ten slotte varen cursisten soms te lang naast of vóór een groot schip. Zij gaan ervan uit dat de beroepsschipper hen wel ziet en kan uitwijken. Juist de dode hoek, diepgang, zuiging en beperkte manoeuvreerruimte maken dit gevaarlijk. Kies vroeg een duidelijke koers en houd ruim afstand.

Samenvatting

Veiligheid bij Kielboot 2 betekent dat je zelfstandig vooruitkijkt. Je controleert de boot en inventaris, zorgt voor passende kleding en reddingsvesten en beoordeelt of weer, vaarwater en bemanning bij elkaar passen. Tijdens het varen blijf je alert op helling, roerdruk, veranderingen in het weer en andere scheepvaart.

Bij omslaan blijf je bij de boot. Bij een man-overboardsituatie houd je de drenkeling voortdurend in beeld en voer je de manoeuvre rustig en gecontroleerd uit. Grote schepen geef je voldoende ruimte vanwege hun dode hoek, zuiging, diepgang en mogelijke verlijering. Twijfel je aan de omstandigheden, dan pas je het plan aan, reef je of kies je voor een veilige haven.

“Een goede schipper voorkomt dat avontuur ineens met hoofdletters wordt geschreven.”