knopen en lijnen – kb2

Op een kielboot heet een stuk touw met een functie een lijn. Met vallen hijs je de zeilen, met schoten bedien je de zeilen en met landvasten leg je de boot vast. Een goede knoop houdt wanneer dat nodig is, maar is daarna ook weer zonder complete krachttraining los te maken.

Bij Kielboot 2 gaat het niet meer alleen om het namaken van een knoop. Je moet de belangrijkste knopen en steken zelfstandig kunnen leggen, hun functie kennen en in een praktijksituatie de juiste kiezen. Ook moet je een lijn netjes kunnen opschieten en correct op een kikker kunnen beleggen.

Waarom is dit belangrijk?

Goed omgaan met lijnen geeft rust en controle aan boord. Tijdens het hijsen moet een val stevig belegd zijn. Bij het afmeren moet een landvast de boot op zijn plaats houden. Tijdens het zeilen moeten schoten vrij kunnen lopen, zonder dat ze onder een tas, voet of bemanningslid verdwijnen. Een losse lijn op de kuipvloer lijkt onschuldig, totdat je hem snel nodig hebt en er spontaan een bord spaghetti uit de kuip komt.

Knopen en lijnen hebben ook direct met veiligheid te maken. Een verkeerd gekozen knoop kan verschuiven, vastlopen of losschieten. Een lijn met kinken kan blokkeren wanneer je snel moet handelen. Een natte of slecht opgeborgen lijn slijt sneller. Door lijnen netjes te gebruiken en op te bergen, verklein je de kans op struikelen, vastlopen en onverwachte materiaalproblemen.

Leerdoelen

Na afloop kun je de twee halve steken waarvan de eerste slippend, de achtknoop, paalsteek, platte knoop, mastworp met slipsteek als borg en de enkele schootsteek bij naam herkennen en zelfstandig leggen. Je kunt uitleggen waarvoor iedere knoop of steek wordt gebruikt en je kiest in een praktijksituatie de juiste oplossing. Daarnaast kun je een lijn zonder kinken opschieten en een val of andere lijn correct op een kikker beleggen.

Je herkent bovendien de belangrijkste lijnen aan boord en begrijpt het verschil tussen een val, schoot, landvast en kraanlijn. Het doel is dat je niet alleen weet hoe iets heet, maar vooral dat je ziet welke lijn je nodig hebt en wat er gebeurt wanneer je eraan trekt, hem viert of hem vastzet.

Uitleg

Theorie

Een knoop vormt een verbinding of verdikking in de lijn. Een steek is meestal een tijdelijke verbinding tussen lijnen of tussen een lijn en een voorwerp, zoals een paal, ring of oog. Het uiteinde van een lijn wordt de tamp genoemd. Het deel van een lijn dat op dat moment geen functie heeft, heet het end.

Aan boord kom je verschillende soorten lijnen tegen:

  • Vallen gebruik je om zeilen te hijsen en te strijken. Voorbeelden zijn de fokkenval, klauwval en piekenval.
  • Schoten gebruik je om de stand van de zeilen te regelen. Met aantrekken en vieren bepaal je hoeveel ruimte het zeil krijgt.
  • De kraanlijn ondersteunt de giek tijdens het hijsen en strijken en helpt voorkomen dat de giek of gaffel ongecontroleerd naar beneden komt.
  • Landvasten gebruik je om de boot aan de wal, een paal of een ander geschikt bevestigingspunt vast te leggen.
  • Een ankerlijn verbindt het anker met de boot.
  • De rijglijn houdt bij bepaalde gaffelgetuigde boten het grootzeil bij de mast.

Wat voel je wanneer je een schoot aantrekt? De spanning neemt toe en het zeil komt dichter naar het midden van de boot. Bij een val voel je vooral het gewicht en de weerstand van het zeil dat omhooggaat. Een landvast voelt anders: daarop komen vaak korte, wisselende krachten door wind, golven en beweging van de boot.

Uitvoering

Achtknoop

De achtknoop is een stopperknoop. Je legt hem in het uiteinde van een lijn om te voorkomen dat de lijn door een blok, oog of klem schiet. Een bekend voorbeeld is de achtknoop in het uiteinde van een schoot.

Leg de knoop niet vlak tegen de tamp. Laat voldoende lijn achter de knoop over. Een achtknoop die bijna van het uiteinde af kijkt, heeft weinig toekomstperspectief.

Twee halve steken waarvan de eerste slippend

Deze steek gebruik je om een lijn aan een oog, ring of ander vast punt te bevestigen. De eerste steek draagt de belasting en wordt slippend gelegd, zodat je hem later eenvoudig kunt losmaken. De tweede halve steek borgt de eerste.

Controleer of de slip werkelijk door de tweede steek wordt geborgd. Alleen een losse slipsteek gebruiken is geen betrouwbare manier om een belaste lijn vast te zetten.

Platte knoop

De platte knoop, ook wel reefsteek genoemd, gebruik je om twee uiteinden van gelijke dikte met elkaar te verbinden wanneer er weinig of geen spanning op staat. Je herkent een goede platte knoop aan twee mooie, symmetrische lussen.

Gebruik deze knoop niet om twee duidelijk verschillende lijnen met elkaar te verbinden. Daarvoor is de schootsteek geschikter. Trek je de platte knoop verkeerd aan, dan ontstaat een onbetrouwbare knoop die kan vervormen of losschieten.

Schootsteek

De enkele schootsteek gebruik je om twee lijnen van ongelijke dikte met elkaar te verbinden. Maak met de dikkere lijn de bocht of lus. De dunnere lijn gaat door de lus, om beide parten van de dikkere lijn heen en vervolgens onder zichzelf door.

Let erop dat de tampen aan dezelfde kant van de knoop uitkomen. Kijk na het aantrekken of de lijn nergens verkeerd gekruist zit. Op Kielboot 2 moet je niet alleen kunnen voordoen hoe de knoop wordt gelegd, maar ook kunnen vertellen waarom je hier geen platte knoop gebruikt.

Mastworp met slipsteek als borg

De mastworp gebruik je om een lijn rond een paal of rondhout te bevestigen. De steek kan handig zijn bij het tijdelijk vastleggen van een boot of het bevestigen van een stootwil. Omdat een mastworp kan verschuiven of loskomen wanneer de spanning wisselt, borg je hem met een slipsteek.

Leg de mastworp zo dat beide slagen elkaar netjes kruisen. Trek hem aan en controleer vervolgens de borging. Herken je dit op het water? De boot beweegt even naar voren, daarna weer naar achteren, en juist bij die wisselende belasting moet de steek blijven zitten.

Paalsteek

Met de paalsteek maak je een vaste, niet-slippende lus in het uiteinde van een lijn. De lus wordt niet kleiner wanneer er kracht op komt. Je kunt hem bijvoorbeeld gebruiken om een landvast rond een paal of aan een ring te bevestigen.

Een goed gelegde paalsteek is sterk en na gebruik meestal weer redelijk eenvoudig los te maken, mits je eerst de spanning van de lijn haalt. Controleer altijd of de tamp op de juiste plaats uit de knoop komt en voldoende lang is.

Een kikker beleggen

Bij het beleggen zet je een lijn vast op een kikker. Houd eerst de spanning op de lijn. Leg de lijn vervolgens om de basis van de kikker en maak daarna kruisslagen. Sluit af met een borgende slag waarbij de tamp in de richting van de voorgaande kruisslag loopt.

Bij een verticale kikker moet de borgende lus aan de bovenzijde liggen. Anders kan de borging naar beneden zakken en losraken. Controleer na het beleggen door rustig spanning op de lijn te zetten. Een nette kikker lijkt eenvoudig. Dat is hij ook, zolang de laatste slag niet besluit zijn eigen koers te varen.

Een lijn opschieten

Opschieten betekent dat je de lijn in gelijkmatige lussen verzamelt, zodat hij netjes kan worden opgeborgen en later zonder knopen kan uitlopen. Werk bij een vaste lijn vanaf het vaste einde naar het losse einde. Laat de lijn tijdens het opschieten door je hand lopen, zodat je eventuele draaiing eruit kunt halen.

Worden de lussen vanzelf achtvormig, dan zit er waarschijnlijk een kink in de lijn. Strijk de lijn eerst glad en ga daarna verder. Maak de tros aan het einde vast en hang hem zo op dat hij kan drogen.

Veiligheid

Zorg dat lijnen tijdens het varen binnenboord blijven. Een lijn in het water kan achter een roer, andere boot of draaiende schroef terechtkomen. Houd de kuipvloer vrij en leg schoten zo neer dat ze kunnen uitlopen zonder rond handen, voeten of benen te slaan.

Komt er veel kracht op een lijn, houd je vingers dan uit de buurt van kikkers, blokken en ogen. Wikkel een belaste lijn nooit om je hand. Geef een lijn gecontroleerd uit handen en waarschuw voordat je een zwaar belaste lijn losmaakt.

Controleer lijnen regelmatig op slijtage, rafels en beschadigde plekken. Laat natte lijnen drogen, verwijder onnodige knopen en houd het touwwerk vrij van zand en scherpe randen. Loop bij voorkeur niet over lijnen heen en bescherm een lijn die steeds langs dezelfde rand schuurt.

Praktische aandachtspunten

Leg een knoop eerst rustig en daarna pas sneller. Snelheid zonder controle levert meestal een moderne kunstvorm op, maar zelden een bruikbare paalsteek. Oefen ook vanuit verschillende houdingen. Aan boord kun je niet altijd ontspannen voor een tafel zitten met de lijn keurig voor je.

Oefen de knopen zoveel mogelijk op het moment dat je ze werkelijk nodig hebt. Maak bij het afmeren bewust een paalsteek of mastworp. Gebruik tijdens het hijsen de kikker om een val te beleggen. Schiet de vallen na het hijsen direct op. Zo koppel je de handeling aan de situatie en hoef je minder losse stappen uit je hoofd te leren. Het instructiemateriaal adviseert om vooral veelgebruikte steken tijdens het varen te oefenen en bijvoorbeeld het beleggen van een val met de kraanlijn te trainen.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je eerst naar de situatie kijkt en daarna de knoop kiest. Je moet kunnen uitleggen wat de lijn moet doen: een uiteinde stoppen, twee lijnen verbinden, een vaste lus maken of een lijn tijdelijk aan een voorwerp bevestigen. Ook wordt gekeken of je de knoop zonder voorbeeld kunt leggen, netjes aantrekt en controleert voordat er kracht op komt.

Let zelf op de vorm van de knoop. Liggen de slagen netjes naast elkaar? Is de tamp lang genoeg? Zit de borging aan de goede kant? Bij het opschieten moeten de lussen ongeveer even groot zijn en mag de lijn geen kinken bevatten. Bij een belegde kikker moet de lijn overzichtelijk liggen en moet de borgende slag goed aansluiten.

Op het water merk je snel of het goed gaat. Een goed opgeschoten lijn loopt zonder haperen uit. Een correct belegde val blijft op spanning. Een passende knoop blijft zitten, maar kan na het wegnemen van de belasting weer worden losgemaakt. Moet je met twee voeten tegen de mast duwen om een eenvoudige steek los te krijgen, dan was de keuze of uitvoering waarschijnlijk minder gelukkig.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is dat cursisten iedere verbinding met dezelfde favoriete knoop willen oplossen. De paalsteek is prachtig, maar niet voor elke klus. Bedenk daarom eerst wat de lijn moet doen. Voor een stopper gebruik je een achtknoop, voor een vaste lus een paalsteek en voor twee ongelijke lijnen een schootsteek.

Bij de platte knoop worden de uiteinden regelmatig verkeerd gekruist. De knoop wordt dan scheef en onbetrouwbaar. Leg hem rustig en controleer of beide zijden symmetrisch zijn. Een andere fout is het gebruiken van een platte knoop voor lijnen van verschillende dikte. Kies dan een schootsteek.

Bij een mastworp wordt de borging nog weleens vergeten. De steek lijkt dan prima te zitten, totdat de spanning even wegvalt. Leg daarom een slipsteek als borg en controleer de verbinding zodra de boot aan de lijn trekt.

Bij het beleggen van een kikker beginnen cursisten soms direct met losse achtjes zonder de lijn eerst goed om de kikker te leiden. Daardoor is het lastiger om spanning te houden. Ook wordt de laatste slag soms verkeerd om gelegd. Controleer of de tamp na de borging in de richting van de voorgaande kruisslag ligt.

Bij het opschieten worden de lussen vaak steeds kleiner of worden kinken simpelweg mee opgerold. Laat de lijn door je hand draaien en maak rustige, gelijkmatige lussen. Als de tros na het losmaken als een springveer de kuip in vliegt, was hij vooral enthousiast opgeruimd.

Samenvatting

Voor Kielboot 2 moet je zelfstandig kunnen werken met de belangrijkste knopen en steken: twee halve steken waarvan de eerste slippend, achtknoop, paalsteek, platte knoop, mastworp met slipsteek als borg en de enkele schootsteek. Je kent niet alleen hun namen, maar begrijpt ook waarvoor je ze gebruikt. Daarnaast kun je een lijn zonder kinken opschieten en een lijn correct op een kikker beleggen.

Goed schiemanswerk begint met kijken: wat moet deze lijn doen, hoeveel kracht komt erop en moet de verbinding snel weer los kunnen? Werk netjes, controleer je knopen en houd de lijnen vrij van voeten, water en scherpe randen.

“Een goede zeiler kent zijn knopen, maar raakt er zelf niet van in de knoop.”