vaartermen – kb2

Aan boord gebruiken we vaste vaartermen om snel en duidelijk met elkaar te communiceren. Op Kielboot 2-niveau hoef je niet alleen te weten wat woorden als loef, lij, oploeven en deinzen betekenen. Je moet ze tijdens het varen ook zelfstandig herkennen en toepassen.

Als je instructeur vraagt om aan de wind te varen, wil je niet eerst een woordenboek uit het vooronder halen. Je kijkt naar de wind, kiest de juiste koers en past meteen je zeilstand aan.

Waarom is dit belangrijk?

Duidelijke vaartermen maken de samenwerking aan boord sneller en veiliger. De wind draait, de wal komt dichterbij en er vaart nog een motorboot in de buurt. Dan is “doe even dat ding aan die kant” niet bijzonder behulpzaam. Met vaste termen weet iedereen direct wat er bedoeld wordt.

Op Kielboot 2 gebruik je de basismanoeuvres om moeilijkere opdrachten uit te voeren, zoals opkruisen in nauw vaarwater, gecontroleerd aankomen aan hogerwal en een gijp vermijden. Je moet daarom niet alleen woorden kunnen uitleggen, maar ook zien wat ze voor de koers, zeilstand en bemanning betekenen. De officiële leerstof noemt hogerwal, lagerwal, bakboord, stuurboord, hoge en lage zijde, loef en lij, de windkoersen, oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, kruisrak, killen, deinzen, opschieten en beleggen.

Leerdoelen

Na afloop kun je de belangrijkste vaartermen van Kielboot 2 uitleggen en tijdens het varen correct gebruiken. Je kunt de positie van de boot ten opzichte van de wind benoemen, de vijf windkoersen herkennen en uitleggen welke verandering optreedt wanneer je oploeft of afvalt.

Je herkent het verschil tussen overstag gaan en gijpen, begrijpt wat een kruisrak is en ziet wanneer een zeil kilt. Daarnaast kun je termen als deinzen, opschieten en beleggen koppelen aan een praktische handeling aan boord. Op Kielboot 2 hoort daar ook bij dat je zonder veel denktijd reageert en waar nodig zelfstandig je koers of zeilstand corrigeert.

Uitleg

Theorie

Bakboord en stuurboord

Bakboord is de linkerzijde van de boot wanneer je met de vaarrichting meekijkt. Stuurboord is dan de rechterzijde. Deze zijden veranderen niet als jij je omdraait. Sta je achterstevoren in de kuip, dan blijft bakboord gewoon bakboord. De boot laat zich niet van identiteit veranderen omdat jij verkeerd om zit.

Loef, lij, hoge zijde en lage zijde

De loefzijde is de zijde waar de wind vandaan komt. Deze wordt ook de hoge zijde genoemd. De lijzijde is de zijde waar de wind naartoe waait en wordt ook de lage zijde genoemd. Tijdens normaal zeilen staat het grootzeil aan lij.

Loef en lij kunnen veranderen wanneer je overstag gaat of gijpt. Bakboord en stuurboord veranderen juist nooit. Dat verschil is belangrijk. “Ga aan loef zitten” betekent dus niet automatisch dat je altijd aan bakboord moet gaan zitten. Je moet eerst bepalen waar de wind vandaan komt.

Hogerwal, lagerwal en langswal

De hogerwal is de wal waar de wind vandaan komt. De lagerwal is de wal waar de wind naartoe waait. Bij een langswal waait de wind ongeveer evenwijdig aan de oever.

Een hogerwal is vaak herkenbaar doordat de wind vanaf de wal over het water waait. Bij lagerwal word je juist door de wind richting de kant gezet. Dat maakt lagerwal een plek waar je tijdig over je ruimte en uitwijkmogelijkheden moet nadenken.

Bovenwinds en benedenwinds

Je passeert een object bovenwinds wanneer je langs de kant vaart waar de wind vandaan komt. Benedenwinds passeer je aan de kant waar de wind naartoe gaat.

Stel dat er een eiland of boei voor je ligt. Bovenwinds varen betekent dat het object aan de lijzijde van je route ligt. Benedenwinds varen betekent dat jij aan de lijzijde van het object passeert. Vraag jezelf bij een boei eens af: als ik nu snelheid verlies, waar zet de wind mij dan neer?

De vijf windkoersen

Een koers beschrijft hoe de boot vaart ten opzichte van de wind. We onderscheiden vijf belangrijke situaties:

In de wind: de wind komt recht van voren. De zeilen kunnen geen goede voortstuwing leveren en gaan klapperen. De boot verliest snelheid en kan uiteindelijk achteruit gaan bewegen.

Aan de wind: de boot vaart schuin tegen de wind in. De zeilen staan relatief strak. Hoe dichter je bij de grens van het onbezeilbare gebied komt, hoe scherper of hoger je aan de wind vaart.

Halve wind: de wind komt ongeveer van opzij. De zeilen staan verder gevierd dan bij aan de wind.

Ruime wind: de wind komt schuin van achteren. De zeilen kunnen ruim worden gevierd.

Voor de wind: de wind komt recht van achteren. Het grootzeil staat ver naar buiten en de fok kan aan de andere zijde worden gezet om ook wind te vangen. Dat heet fok te loevert.

Hoe verder je van de wind af vaart, hoe verder de zeilen in het algemeen naar buiten kunnen. Hoe meer je naar de wind toe vaart, hoe verder je de zeilen aantrekt. De praktische controle blijft steeds hetzelfde: vier het zeil totdat het voorlijk bijna kilt en trek het dan iets aan.

Oploeven en afvallen

Oploeven is met de boeg naar de wind toe draaien. Je gaat bijvoorbeeld van ruime wind via halve wind naar aan de wind. Tijdens het oploeven moeten de zeilen meestal geleidelijk worden aangetrokken.

Afvallen is met de boeg van de wind af draaien. Je gaat bijvoorbeeld van aan de wind via halve wind naar ruime wind. Daarbij moeten de zeilen geleidelijk worden gevierd.

Op Kielboot 2 stuur je deze koersveranderingen niet alleen met het roer. Je gebruikt ook de zeilen. Het grootzeil heeft een oploevende werking en de fok een afvallende werking. Je voelt dit aan de helmstok: als roer en zeilen elkaar tegenwerken, wordt het sturen zwaar en rem je de boot onnodig af.

Overstag gaan

Bij overstag gaan draait de boeg door de wind. Je gaat van aan de wind over de ene boeg naar aan de wind over de andere boeg. De zeilen wisselen daarbij van zijde.

Op Kielboot 2 is overstag gaan geen op zichzelf staand kunstje meer. Je gebruikt de manoeuvre bijvoorbeeld tijdens het opkruisen in nauw vaarwater. Je moet vóór de manoeuvre al weten op welke koers je na de overstag wilt uitkomen. Te ruim uitkomen kost hoogte, te scherp uitkomen kost snelheid.

Gijpen

Bij gijpen wisselt het grootzeil van zijde terwijl de boot voor de wind vaart. Hierbij gaat het achterschip door de wind. Dat is het belangrijkste verschil met overstag gaan, waarbij de boeg door de wind draait.

Een gijp moet gecontroleerd worden uitgevoerd. Een onverwachte of ongecontroleerde gijp heet een klapgijp. Als de omstandigheden een veilige gijp moeilijk maken, kan op Kielboot 2-niveau een stormrondje worden gebruikt: oploeven, overstag gaan en daarna weer afvallen naar de gewenste koers.

Opkruisen, kruisrak en slag

Een zeilboot kan niet rechtstreeks tegen de wind in varen. Om toch een bovenwinds punt te bereiken, vaar je afwisselend aan de wind over bakboord en stuurboord. Tussen de koerswisselingen ga je overstag. Dit heet opkruisen of laveren.

Het volledige traject waarin je opkruist heet een kruisrak. Het gedeelte dat je tussen twee overstagmanoeuvres vaart, heet een slag. In nauw vaarwater kunnen een korte en een lange slag ontstaan. Op Kielboot 2 moet je daarbij niet alleen de termen kennen, maar ook voldoende snelheid houden en rekening houden met ander verkeer.

Killen

Een zeil kilt wanneer het aan de voorzijde, bij het voorlijk, begint tegen te bollen of klapperen. Dat kan gebeuren doordat het zeil te ver is gevierd of doordat je te ver naar de wind toe draait.

Killen is niet alleen een foutsignaal. Je gebruikt het bewust om de juiste zeilstand te vinden of om snelheid te verminderen. Vier het zeil totdat het voorlijk begint te killen en trek het vervolgens net genoeg aan om het killen te laten stoppen. Dan staat het zeil voor die koers meestal goed.

Deinzen

Deinzen betekent dat de boot achteruit door het water beweegt. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer de boot met de boeg in de wind ligt, de zeilen geen voortstuwing leveren en de wind de boot achteruit zet.

Bij het achteruitvaren werkt het roer anders dan wanneer je vooruitvaart. Daarom stuur je met kleine, beheerste bewegingen en houd je de helmstok vast. Vooral bij het afvaren van hogerwal moet je vooraf bepalen over welke boeg je wilt volvallen.

Opschieten en beleggen

Opschieten is een lijn netjes in lussen verzamelen, zodat deze veilig kan worden opgeborgen en later zonder knopen kan uitlopen.

Beleggen is een lijn vastzetten op bijvoorbeeld een kikker, klamp of nagel. Denk aan een val die na het hijsen van een zeil wordt belegd. Een slordig opgeschoten lijn is vooral decoratief totdat je hem dringend nodig hebt. Dan verandert hij meestal in moderne kunst.

Uitvoering

Begin iedere oefening met het bepalen van de windrichting. Kijk naar het vaantje, de rimpels op het water, vlaggen, bomen en riet. Voel de wind langs je gezicht en luister naar het geluid langs je oren en de verstaging. Wijs vervolgens een vast punt aan de horizon aan waar de wind vandaan komt.

Vaar daarna achtereenvolgens aan de wind, halve wind, ruime wind en voor de wind. Benoem iedere koers hardop en stel meteen de zeilen bij. Loef vervolgens op en val weer af. Vraag jezelf steeds af: draai ik naar de wind toe of ervan af, en moeten de schoten nu worden aangetrokken of gevierd?

Oefen de termen daarna in een praktijksituatie. Kies bijvoorbeeld een punt dat bovenwinds ligt en vaar er in een aantal slagen naartoe. Benoem het kruisrak, iedere slag, de overstagmanoeuvres en de nieuwe boeg. Daarmee verbind je de woorden aan wat je ziet, voelt en doet.

Veiligheid

Vaartermen zijn geen losse woorden, maar veiligheidsinformatie. “Klaar om te wenden” en “klaar voor de gijp” waarschuwen de bemanning dat de zeilen en de giek van zijde gaan veranderen. Iedereen moet weten wat er gaat gebeuren en uit de baan van de giek blijven.

Bepaal vóór een koersverandering of de nieuwe koers vrij is. Kijk niet alleen naar het zeil en de helmstok, maar ook naar andere schepen, de wal, ondieptes en obstakels. Bij twijfel breek je een manoeuvre gecontroleerd af. Een perfecte term gebruiken terwijl je ondertussen tegen de steiger vaart, levert hooguit taalkundige punten op.

Praktische aandachtspunten

Gebruik de termen tijdens iedere vaartocht. Zeg niet: “Draai een beetje naar links”, maar: “Loef iets op” of “Val iets af”. Benoem waar de wind vandaan komt en vraag regelmatig welke zijde loef en welke zijde lij is.

Leer termen in logische paren: bakboord en stuurboord, loef en lij, hogerwal en lagerwal, oploeven en afvallen, aantrekken en vieren, overstag en gijpen. Zo bouw je een netwerk van betekenissen op.

Let ook op wat je voelt. Bij oploeven neemt de druk op de schoten vaak toe en moeten de zeilen dichter worden gezet. Bij afvallen geef je de zeilen meer ruimte. Als het voorlijk kilt, staat het zeil te ruim of vaar je te scherp. Als je veel druk aan de helmstok voelt, werken koers, zeilstand en roer mogelijk niet goed samen.

Observatiepunten tijdens de praktijk

Een instructeur let erop of je de windrichting zelfstandig kunt bepalen en de juiste termen gebruikt zonder lang na te denken. Ook kijkt de instructeur of je de term koppelt aan de juiste handeling. Wie zegt dat hij oploeft, maar ondertussen van de wind af draait, heeft de helft van de opdracht uitstekend uitgevoerd.

Je let zelf op de wind, je koers, de stand van de zeilen, de druk op de schoten en het gevoel aan de helmstok. Kijk ook naar het voorlijk. Begint dit te killen, dan geeft het zeil direct informatie over je koers of schootvoering.

Het gaat goed wanneer je een koers kunt benoemen, de bijbehorende zeilstand kiest en veranderingen zelfstandig corrigeert. Op Kielboot 2 moet je bovendien vooruitkijken: welke koers vaar je na de volgende overstag, waar ligt de lagerwal en hoeveel ruimte heb je voor een gijp of stormrondje?

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is bakboord en stuurboord verwarren met de eigen linker- en rechterhand. Kijk altijd met de vaarrichting mee. De tweede klassieker is denken dat loef altijd dezelfde zijde van de boot is. Loef hangt af van de wind en kan dus na een manoeuvre veranderen.

Ook worden oploeven en afvallen gemakkelijk verwisseld. Onthoud: oploeven is omhoog in de windroos, naar de wind toe. Afvallen is ervandaan. Koppel daar meteen de schootbediening aan: bij oploeven doorgaans aantrekken, bij afvallen vieren.

Bij overstag en gijpen ontstaat verwarring over welk deel van de boot door de wind gaat. Bij overstag gaat de boeg door de wind; bij gijpen het achterschip. Een andere fout is een killend zeil alleen harder aantrekken zonder naar de koers te kijken. Misschien staat de schoot inderdaad te los, maar je kunt ook te hoog aan de wind varen.

Ten slotte worden opschieten en beleggen soms als hetzelfde gezien. Opschieten is een lijn netjes opruimen; beleggen is een lijn vastzetten. Wie een val alleen prachtig opschiet zonder hem eerst te beleggen, krijgt een onverwacht korte zeilles zodra het zeil weer naar beneden komt.

Samenvatting

Op Kielboot 2 gebruik je vaartermen om zelfstandig en veilig te handelen. Bakboord en stuurboord zijn vaste zijden van de boot; loef en lij worden door de wind bepaald. Hogerwal ligt aan de kant waar de wind vandaan komt en lagerwal aan de kant waar hij naartoe waait.

De belangrijkste windkoersen zijn in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind en voor de wind. Oploeven betekent naar de wind toe draaien en afvallen betekent van de wind af draaien. Bij overstag gaat de boeg door de wind, terwijl bij een gijp het achterschip door de wind gaat. Opkruisen doe je in slagen over een kruisrak. Een killend zeil, een deinzende boot en een lijn die moet worden opgeschoten of belegd, moet je niet alleen kunnen benoemen, maar ook direct herkennen.

“Wie de zeiltaal spreekt, hoeft aan boord nooit te roepen: dat touwtje daar, nee, dat andere!”