onderdelen – kb2

Een kielboot bestaat uit veel meer dan alleen een romp, een mast en twee zeilen. Elk onderdeel heeft een eigen naam en functie. Op Kielboot 2-niveau moet je onderdelen zelfstandig kunnen herkennen en benoemen, zowel aan boord als op een tekening.

Voor Kielboot 2 moet je van je eigen boot en tuigage minimaal 25 onderdelen bij de juiste naam kunnen noemen. Je mag deze onderdelen grotendeels zelf kiezen, maar blok, landvast, kiel, helmstok, roer, mast, giek, val, schoot, halshoek, schoothoek, grootzeil en fok moet je in ieder geval kennen. Op een gebruikte examentekening moeten minimaal 30 verschillende onderdelen zichtbaar zijn.

Waarom is dit belangrijk?

De namen van de onderdelen vormen de gezamenlijke taal aan boord. Als de stuurman roept: “Vier de fokkeschoot!” is het niet handig wanneer iemand verwachtingsvol naar de kiel kijkt. Door dezelfde woorden te gebruiken, kan de bemanning snel, duidelijk en veilig samenwerken.

Kennis van de onderdelen helpt je bovendien om zelfstandig een boot zeilklaar te maken, te reven, af te meren en kleine problemen te herkennen. Wanneer een val vastloopt, een landvast ontbreekt of het roer niet goed bevestigd lijkt, moet je begrijpen over welk onderdeel het gaat. Op Kielboot 2 leer je daarom niet alleen namen uit het hoofd. Je koppelt iedere naam aan de plaats en het praktische gebruik van het onderdeel.

Leerdoelen

Na afloop kun je minimaal 25 onderdelen van je eigen kielboot en tuigage aanwijzen en correct benoemen. Je herkent de belangrijkste groepen: romp, besturing, rondhouten, staand want, lopend want, zeilen en losse uitrusting.

Je begrijpt het verschil tussen een val en een schoot, kunt de belangrijkste hoeken van een zeil aanwijzen en weet welke onderdelen de mast ondersteunen, de zeilen bedienen en de boot bestuurbaar maken. Ook kun je tijdens een praktische handeling zelfstandig het juiste onderdeel pakken of bedienen.

Uitleg

Theorie

De onderdelen van een kielboot kun je het gemakkelijkst leren door ze in groepen te verdelen.

Romp en dek

De romp is het drijvende lichaam van de boot. De voorkant heet de boeg of voorsteven en de vlakke achterzijde heet de spiegel. Het voordek en achterdek sluiten de boot aan de bovenkant gedeeltelijk af. De kuip is de ruimte waarin de bemanning zit en werkt.

Bij een Lelievlet kom je daarnaast namen tegen als dolboord, boeisel, berghout, kim, vlak, doft, vlonder of buikdenning, luchtkast, spant en kikker. De opleidingen gebruiken deze onderdelen ook om de verschillende zones van het casco systematisch te leren herkennen.

Een handige selectie voor Kielboot 2 is:

  1. Boeg of voorsteven
  2. Spiegel
  3. Voordek
  4. Achterdek
  5. Kuip
  6. Gangboord of dolboord
  7. Berghout
  8. Doft
  9. Kikker
  10. Landvastoog

Kiel, zwaard en besturing

De kiel steekt onder de romp uit. Hij beperkt het zijwaarts afdrijven en draagt bij aan de stabiliteit. Sommige lesboten, zoals de Lelievlet, hebben een beweegbaar zwaard in een zwaardkast. Ook het zwaard beperkt het zijwaarts afdrijven. Een kiel en een zwaard lijken in functie dus op elkaar, maar zijn niet hetzelfde.

Met de helmstok bedien je het roer. Het deel dat door het water beweegt heet het roerblad. Bij een aangehangen roer zitten de roerhaken aan het roer en de vingerlingen aan de spiegel. De roerhaken vallen in de vingerlingen, zodat het roer kan draaien.

Belangrijke onderdelen uit deze groep zijn:

  1. Kiel of zwaard
  2. Zwaardkast
  3. Zwaardloper
  4. Helmstok
  5. Roer
  6. Roerblad
  7. Roerhaak
  8. Vingerling

Rondhouten en staand want

De mast, giek en eventueel de gaffel worden rondhouten genoemd. De mast staat verticaal. De giek loopt vanaf de mast naar achteren en draagt de onderzijde van het grootzeil. Bij een gaffelgetuigde boot houdt de gaffel de bovenzijde van het grootzeil omhoog.

De mast wordt ondersteund door het staand want. Daartoe behoren de voorstag en de zijstagen, ook wel het want genoemd. Deze onderdelen blijven tijdens het zeilen normaal gesproken op hun plaats. Het lummelbeslag is de beweegbare verbinding tussen mast en giek.

Belangrijke namen zijn:

  1. Mast
  2. Giek
  3. Gaffel
  4. Voorstag
  5. Zijstag of want
  6. Mastkoker
  7. Lummelbeslag

Lopend want

Het lopend want bestaat uit de lijnen waarmee je de zeilen hijst en bedient. Een val gebruik je om een zeil of een deel van de tuigage te hijsen. Een schoot gebruik je om de stand van een zeil ten opzichte van de wind te regelen. Kort gezegd: met een val gaat een zeil omhoog en met een schoot gaat het naar binnen of naar buiten.

Bij een gaffelgetuigd grootzeil kom je onder andere de klauwval en piekeval tegen. De klauwval hijst de klauwzijde van de gaffel, terwijl de piekeval de hoek van de gaffel stelt. De fokkeval hijst de fok. De kraanlijn ondersteunt de giek bij het hijsen en strijken. De grootschoot en fokkeschoot bedienen de stand van de zeilen.

Aanvullende onderdelen zijn:

  1. Fokkeval
  2. Klauwval
  3. Piekeval
  4. Kraanlijn of dirk
  5. Grootschoot
  6. Fokkeschoot
  7. Blok
  8. Leioog

Zeilen en zeilhoeken

De twee belangrijkste zeilen zijn het grootzeil en de fok. Een zeil heeft zijden die lijken heten. De voorste rand is het voorlijk, de achterste rand het achterlijk en de onderste rand het onderlijk.

Bij zowel fok als grootzeil heet de onderste voorste hoek de halshoek. De onderste achterste hoek heet de schoothoek. De bovenste hoek van een driehoekige fok heet de tophoek. Bij een vierhoekig gaffelgrootzeil kom je ook een klauwhoek en een nokhoek tegen. In het grootzeil zitten vaak zeillatten die het achterlijk ondersteunen.

Ken in ieder geval:

  1. Grootzeil
  2. Fok
  3. Voorlijk
  4. Achterlijk
  5. Onderlijk
  6. Halshoek
  7. Schoothoek
  8. Tophoek
  9. Klauwhoek
  10. Nokhoek
  11. Zeillat

Losse uitrusting

Niet alles zit permanent aan de boot vast. Denk aan landvasten, stootwillen, zeilbandjes, een mik, meerpen, vaarboom, hoosvat en anker. Een landvast gebruik je om de boot vast te leggen. Een stootwil beschermt de romp tegen de wal of een andere boot. De mik ondersteunt de gestreken giek.

Uitvoering

Loop bij voorkeur vanaf de boeg naar het achterschip. Benoem eerst de onderdelen van de romp, daarna alles onder water, vervolgens mast en tuigage en ten slotte de losse inventaris. Door een vaste route te gebruiken, verklein je de kans dat je onderdelen overslaat.

Raak ieder onderdeel aan terwijl je de naam noemt. Zeg daarna in één korte zin wat het doet: “Dit is de fokkeval, hiermee hijs je de fok.” Of: “Dit is de grootschoot, hiermee regel je de stand van het grootzeil.” Zo leer je geen losse woordenlijst, maar bouw je een praktische rondleiding door de boot.

Oefen vervolgens andersom. Laat iemand een onderdeel noemen en wijs het aan. Daarna wijst iemand iets aan en noem jij de juiste naam. Als dat soepel gaat, voeg je de functie toe. Een interne instructiehandleiding adviseert onderdelen spelenderwijs te oefenen, bijvoorbeeld door om de beurt een onderdeel te noemen of door de volgende cursist het genoemde onderdeel te laten aanwijzen.

Veiligheid

Leer de onderdelen eerst wanneer de boot rustig en veilig ligt. Klim niet op dek of onder de giek door terwijl iemand zonder overleg lijnen bedient. Houd bij het aanwijzen van mastonderdelen rekening met bewegende gaffel, giek en vallen.

Gebruik lijnen niet als handgreep en trek niet zomaar aan een val of schoot om te ontdekken wat er gebeurt. Controleer vóór het uitvaren bovendien of belangrijke bevestigingen vastzitten en of de inventaris compleet is. Een leuke onderdelenquiz is prima, maar een spontaan gedemonteerde gaffel levert meestal minder studiepunten op.

Praktische aandachtspunten

Kies eerst 25 onderdelen die op jouw eigen lesboot duidelijk zichtbaar zijn. Neem daarbij alle verplichte onderdelen op en verdeel de rest over de verschillende groepen. Daarmee voorkom je dat je alleen 25 willekeurige lijnen uit je hoofd leert en bij het roer ineens nautisch geheugenverlies krijgt.

Let goed op het verschil tussen woorden die op elkaar lijken. Een val hijst en een schoot bedient de zeilstand. Een stag ondersteunt de mast en een landvast legt de boot vast. De schoothoek is een hoek van het zeil, terwijl de schoot zelf een lijn is. De helmstok is het handvat waarmee je het roer bedient, niet het hele roer.

Herken je dit op het water? Zodra iemand “fokkeval” zegt, kijk je dan automatisch omhoog langs de mast, of zoek je nog tussen de schoten in de kuip? Dat automatische herkennen is precies wat je wilt bereiken.

Observatiepunten tijdens de praktijk

Een instructeur let erop of je onderdelen zonder lang zoeken kunt aanwijzen en de juiste vakterm gebruikt. Ook wordt gekeken of je het verschil begrijpt tussen onderdelen met een vergelijkbare functie of naam. Vooral val en schoot, stag en landvast, helmstok en roer, en halshoek en schoothoek worden gemakkelijk verwisseld.

Je moet zelf letten op de plaats, vorm en verbinding van een onderdeel. Volg een lijn eens met je ogen. Begint hij bij een zeilhoek, loopt hij door een blok en eindigt hij bij een kikker? Dan wordt zijn functie meestal al duidelijk. Kijk ook wat er beweegt wanneer de lijn gecontroleerd wordt bediend.

Het gaat goed wanneer je een onderdeel niet alleen vanaf één bekende kijkhoek herkent. Je kunt de grootschoot bijvoorbeeld aanwijzen wanneer hij opgeschoten ligt, maar ook wanneer hij door het blok loopt en tijdens het zeilen wordt bediend.

Veelgemaakte fouten

De meest voorkomende fout is alles als “touwtje” benoemen. Aan boord heet een stuk touw met een functie een lijn en krijgt het meestal een specifieke naam. Vraag jezelf daarom af: wat bedient deze lijn? Gaat er iets omhoog, dan kijk je waarschijnlijk naar een val. Verandert de stand van een zeil, dan heb je waarschijnlijk een schoot te pakken.

Ook worden helmstok, roer en roerblad vaak door elkaar gehaald. De helmstok houd je vast, het roer is de complete stuurinrichting en het roerblad beweegt door het water. Hetzelfde gebeurt bij mast, giek en gaffel. De mast staat omhoog, de giek loopt onder het grootzeil en de gaffel draagt bij een gaffeltuig de bovenzijde van het grootzeil.

Een andere fout is alleen de verplichte onderdelen leren. Daarmee haal je niet vanzelf het vereiste aantal. Stel daarom vooraf je eigen lijst samen van minimaal 25 onderdelen en zorg dat je uit elke hoofdgroep enkele onderdelen kent.

Ten slotte leren cursisten soms alleen vanaf een afbeelding. Dat werkt totdat de echte boot nat is, de lijnen anders liggen en de instructeur nét niet dezelfde kijkhoek kiest. Oefen daarom vooral aan boord. Papier klappert hooguit in de wind, een echte fok doet er tenminste iets leerzaams mee.

Samenvatting

Voor Kielboot 2 moet je minimaal 25 onderdelen van je eigen boot en tuigage correct kunnen benoemen, zowel in de praktijk als op een tekening. De verplichte kern bestaat uit blok, landvast, kiel, helmstok, roer, mast, giek, val, schoot, halshoek, schoothoek, grootzeil en fok.

Leer de onderdelen in groepen: romp, besturing en driftbeperking, rondhouten, staand want, lopend want, zeilen en losse uitrusting. Wijs ieder onderdeel aan, noem de naam en vertel wat het doet. Zo wordt de onderdelenkennis onderdeel van je handelen aan boord, in plaats van een lijst die na het examen overboord gaat.

“Wie de boot bij naam kent, hoeft nooit om dat ene touwtje bij die paal te vragen.”