man over boord – kb2

Bij de man-over-boordmanoeuvre haal je een overboord gevallen bemanningslid veilig terug aan boord. Op Kielboot 2-niveau voer je deze manoeuvre zelfstandig en in een vaste volgorde uit. Je reageert direct, verdeelt de taken, houdt de drenkeling voortdurend in beeld en brengt de boot met weinig snelheid langszij.

De manoeuvre lijkt op een sliplanding, maar dan ligt je aanlegsteiger onverwacht in het water en roept hij misschien iets minder ontspannen terug. Rust, overzicht en duidelijke commando’s maken hier het verschil.

Waarom is dit belangrijk?

Iemand in het water kan snel afkoelen en uitgeput raken. Je moet daarom meteen handelen, zonder de controle over de boot te verliezen. De vaste volgorde voorkomt dat je in de haast stappen overslaat of pas na een halve minuut ontdekt dat niemand meer weet waar de drenkeling ligt.

Bij Kielboot 2 worden alle basisvaardigheden samengebracht. Je moet vlot kunnen afvallen, voor de wind varen, oploeven, hoog aan de wind varen, overstag gaan en de snelheid met koers en schoten regelen. De manoeuvre is onderdeel van de praktijkeisen voor Kielboot 2, bedoeld voor niet te moeilijke omstandigheden, niet te druk vaarwater, overdag, bij voldoende zicht en tot en met windkracht 4 Beaufort.

Leerdoelen

Na afloop herken je direct wat er moet gebeuren zodra iemand overboord valt. Je kunt de bemanning duidelijke taken geven, de drenkeling laten aanwijzen en een drijfmiddel laten toewerpen. Je kunt de boot via een voor-de-windse en aan-de-windse koers terugbrengen en zelf het juiste moment voor de overstag bepalen.

Je kunt de snelheid tijdens de laatste aanloop zo regelen dat de boot niet stilvalt, maar ook niet te snel bij de drenkeling aankomt. Je weet waar de drenkeling wordt vastgepakt en binnengehaald en hoe je de boot daarna onder controle brengt.

Uitleg

Theorie

De manoeuvre bestaat uit drie duidelijke delen. Eerst organiseer je de noodsituatie en creëer je afstand. Daarna vaar je via een aan-de-windse koers terug. Ten slotte maak je een langzame, gecontroleerde aankomst bij de drenkeling.

De vaste route is: afvallen naar voor de wind, ongeveer vier bootlengtes doorvaren, oploeven naar aan de wind, het moment van overstag bepalen en daarna met geregelde snelheid terugvaren. De drenkeling wordt aan loef, achter het want en ongeveer bij het draaipunt van de boot, vastgepakt en binnengehaald.

Uitvoering

Zodra iemand overboord valt, roep je luid: “Man over boord!” Roep vervolgens “Zwem!” of “Drijf!” naar de drenkeling. Wijs één bemanningslid persoonlijk aan om voortdurend naar de drenkeling te wijzen. Gebruik liefst een naam, gevolgd door het commando “Wijs!” Laat zo nodig een drijfmiddel toewerpen. Eén aangewezen persoon is beter dan drie mensen die allemaal denken dat iemand anders wel kijkt.

Val direct af naar voor de wind. Vier de schoten bij het afvallen en voorkom een ongecontroleerde gijp. Vaar ongeveer vier bootlengtes door. Dat is minder ver dan het vaak lijkt. Het doel is voldoende ruimte maken om op te loeven, aan de wind te gaan varen en goed terug te keren.

Loef vervolgens op tot hoog aan de wind. Laat de schoten met de koers meelopen en zorg dat de boot voldoende snelheid houdt. Vraag de aanwijzer om te waarschuwen wanneer de drenkeling dwars van de boot ligt. Wanneer de drenkeling achterlijker dan dwars is en na de overstag bezeild kan worden, ga je overstag. Houd daarbij rekening met het hoogteverlies tijdens de wending.

Na de overstag vaar je terug en regel je de snelheid door de fok en het grootzeil geleidelijk te vieren. De boot mag niet stilvallen, want zonder voorwaartse snelheid verliest het roer zijn werking en neemt de verlijering toe. Wijs vóór de laatste meters aan wie de drenkeling gaat vastpakken. Die persoon gaat aan de hoge zijde achter het want gereedzitten en geeft korte aanwijzingen over afstand en koers.

Vaar langzaam aan lij van de drenkeling langs, zodat de drenkeling aan de loefzijde van de boot kan worden vastgepakt. Zodra stevig contact is gemaakt, roept de bemanning “Man vast!” Trek daarna de fok bak en breng de boot zo nodig in een stabiele bijligpositie. Haal de drenkeling achter het want, bij het draaipunt van de boot, zijdelings en zo horizontaal mogelijk binnen. Controleer daarna de toestand van de drenkeling en verleen zo nodig eerste hulp.

Veiligheid

Blijf zelf rustig en geef korte, duidelijke opdrachten. De roerganger blijft verantwoordelijk voor de boot en moet tijdens de hele manoeuvre ook op ander vaarverkeer en obstakels letten. Oefen de manoeuvre daarom eerst op ruim en rustig vaarwater.

Zorg dat de aanwijzer niet wordt ingezet voor andere taken zolang de drenkeling nog niet veilig vast is. Een hoofd in het water is verrassend moeilijk terug te vinden tussen golven en schittering. Het commando “Wijs!” is dus geen toneelstukje, maar een belangrijke veiligheidsmaatregel.

Kom nooit met hoge snelheid op de drenkeling af. Tegelijkertijd moet je voorkomen dat de boot te vroeg stilvalt. Regel de snelheid geleidelijk met de schoten en de koers. Bij twijfel is een nieuwe, gecontroleerde aanloop veiliger dan een laatste snelle correctie met veel roer.

Een oefenboei is geen echte drenkeling. Oefen het patroon daarom met een geschikt oefenvoorwerp en onder begeleiding van een bevoegde instructeur. Spring tijdens een oefening niet zomaar zelf overboord. Dat maakt van een oefening ineens een echte noodsituatie, en dat is didactisch nogal onhandig.

Praktische aandachtspunten

Laat de persoon die wijst hardop informatie geven: “Man achterlijker dan dwars”, “nog twee bootlengtes” en “man naast de boot”. Daardoor hoeft de roerganger niet voortdurend achterom te kijken en blijft de koers stabiel.

Let tijdens het terugvaren op de druk in de helmstok. Wordt het roer zwaar en maakt de boot veel helling, dan staat het grootzeil mogelijk te strak. Valt alle druk weg en begint de boot sterk zijwaarts te schuiven, dan heb je waarschijnlijk te veel snelheid verloren. Herken je dit op het water? Wat voel je aan het roer wanneer de boot nog nét goed bestuurbaar blijft?

Bereid het binnenhalen vroeg voor. De aangewezen bemanning moet al vóór de laatste meters weten waar en aan welke kant de drenkeling wordt vastgepakt. Eerst aankomen en daarna een vergadering houden over de taakverdeling is niet de meest efficiënte reddingsmethode.

Observatiepunten tijdens de praktijk

Een instructeur kijkt eerst naar je reactie op het alarm. Roep je direct en duidelijk? Wijs je één persoon aan om de drenkeling te blijven volgen? Wordt er zonder aarzeling naar de juiste koers afgevallen en blijft de manoeuvre veilig voor de overige bemanning?

Daarna wordt gelet op je windoriëntatie. Je moet de voor-de-windse koers herkennen zonder binnen de wind te varen en na het oploeven goed hoog aan de wind uitkomen. Ook moet je het moment van overstag zo kiezen dat de drenkeling na de wending bereikbaar is. Vlotte windoriëntatie, goed hoog aan de wind varen en een beheerste overstag zijn belangrijke voorwaarden voor een geslaagde manoeuvre.

Tijdens de laatste aanloop kijkt de instructeur naar snelheid, koers en samenwerking. De boot moet langzaam maar bestuurbaar blijven. De bemanning geeft gerichte aanwijzingen en staat tijdig klaar aan loef achter het want. Het duidelijke commando “Man vast!” markeert het moment waarop de fok bak kan en de boot verder wordt gestabiliseerd.

Voor jezelf zijn de belangrijkste signalen de roerdruk, het geluid van de zeilen en de beweging van de drenkeling ten opzichte van de boot. Komt de drenkeling snel dichterbij, dan heb je waarschijnlijk nog te veel vaart. Blijft de drenkeling opzij wegschuiven terwijl de boeg er wel naartoe wijst, dan speelt verlijering je parten.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is dat niemand specifiek wordt aangewezen om naar de drenkeling te wijzen. Iedereen kijkt eerst, daarna kijkt iedereen naar de schoten en vervolgens kijkt niemand meer. Noem daarom één persoon bij naam en geef diegene uitsluitend de taak om te wijzen.

Een tweede fout is te ver voor de wind doorvaren. Iedere extra bootlengte moet later weer worden teruggezeild. Houd daarom de afgesproken afstand aan en begin tijdig met oploeven.

Ook wordt soms op ruime wind gestopt met afvallen, of juist zo ver doorgedraaid dat de boot binnen de wind komt en onverwacht gijpt. Vaar bewust naar voor de wind en controleer de stand van de fok en het grootzeil. De fok valt rond deze koers vaak grotendeels weg en het grootzeil staat ver gevierd.

Een andere fout is te vroeg of te laat overstag gaan. Ga je te vroeg, dan kom je benedenwinds van de drenkeling uit. Ga je te laat, dan vaar je er te hoog langs. Gebruik de aan-de-windse lijn en houd rekening met hoogteverlies tijdens de overstag.

Bij de laatste aanloop wordt de snelheid vaak te laat geregeld. De boot komt dan te hard aan en schiet voorbij. Begin direct na de overstag met het beoordelen van de snelheid en vier de zeilen geleidelijk. Het andere uiterste is alles volledig losgooien, waardoor de boot stilvalt en sterk gaat verlijeren. Langzaam varen is prima, stuurloos ronddobberen iets minder.

Ten slotte gaat de bemanning soms te vroeg naar voren of te ver naar buiten hangen. Daardoor verandert de balans van de boot en kan de bemanning zelf overboord raken. Blijf laag en stabiel zitten, werk vanuit de kuip en pak de drenkeling stevig vast voordat je aan het binnenhalen begint.

Samenvatting

Bij de man-over-boordmanoeuvre reageer je onmiddellijk. Je roept alarm, spreekt de drenkeling toe, wijst één persoon aan om voortdurend te blijven wijzen en laat zo nodig een drijfmiddel toewerpen. Daarna val je af naar voor de wind, vaar je ongeveer vier bootlengtes door, loef je op naar aan de wind en ga je op het juiste moment overstag.

Op de terugweg regel je vroeg en geleidelijk de snelheid. Je komt langzaam aan lij van de drenkeling langs, waarna deze aan loef achter het want wordt vastgepakt. Na “Man vast!” zet je de fok bak, stabiliseer je de boot en haal je de drenkeling zo horizontaal mogelijk binnen. Daarna controleer je de toestand en verleen je zo nodig eerste hulp.

Op Kielboot 2-niveau draait de manoeuvre om zelfstandigheid, windoriëntatie, taakverdeling en controle. Je hoeft niet perfect olympisch rond te varen. Je moet wel snel, veilig en voorspelbaar handelen.

“Eerst wijzen, dan draaien, rustig aankomen en iedereen weer aan boord.”