oploeven – kb1

Oploeven betekent dat je de boeg van de boot naar de wind toe draait. Je gaat daardoor hoger of scherper varen. Zo kun je bijvoorbeeld van een halvewindse koers naar een aan-de-windse koers sturen. Tijdens het oploeven stuur je niet alleen met het roer, maar pas je ook de stand van de zeilen aan.

Op het water herken je oploeven doordat de wind steeds meer van voren komt. De zeilen komen dichter naar het midden van de boot en je voelt vaak dat de druk op het roer en in de schoten verandert.

Waarom is dit belangrijk?

Oploeven is een van de basisbewegingen van een zeilboot. Je gebruikt het om een bovenwinds punt te bereiken, om uit te wijken, om een overstagmanoeuvre voor te bereiden en om de boot tegen de wind in af te remmen. Wie goed kan oploeven, kan de boot nauwkeurig van koers laten veranderen zonder onnodig veel snelheid te verliezen.

Bij Kielboot 1 draait het vooral om leren voelen wat de boot doet. Je ontdekt dat sturen en schootbediening bij elkaar horen. Zodra je naar de wind toe draait, moeten de zeilen verder worden aangetrokken. Doe je dat niet, dan beginnen ze te killen en verliest de boot snelheid. Te veel roer geven werkt ook niet lekker, want een groot uitgeslagen roer remt de boot af.

Leerdoelen

Na afloop begrijp je dat oploeven het naar de wind toe draaien van de boot is. Je kunt vanaf een halvewindse koers rustig oploeven naar een aan-de-windse koers, terwijl je de grootschoot en fokkeschoot geleidelijk aantrekt. Je herkent aan het voorlijk van de zeilen wanneer deze beginnen te killen en kunt de nieuwe koers op tijd vasthouden. Ook blijf je tijdens de manoeuvre om je heen kijken en houd je controle over helmstok, schoten en bemanning.

Uitleg

Theorie

Een zeilboot kan niet rechtstreeks tegen de wind in varen. Wel kun je schuin tegen de wind in varen. Wanneer je vanuit een ruimere koers de boeg naar de wind draait, ga je oploeven. Vanaf halve wind kom je zo eerst op aan de wind en vervolgens op hoog aan de wind. Loef je nog verder op, dan gaan de zeilen steeds meer killen en komt de boot uiteindelijk met de boeg in de wind te liggen.

Bij het oploeven moeten de zeilen steeds dichter naar het midden van de boot. De eenvoudige Kielboot 1-regel is daarom:

Oploeven is aantrekken. Afvallen is vieren.

Het grootzeil helpt bovendien mee met oploeven. Als het grootzeil wind vangt en de fok minder, wil de boeg naar de wind draaien. Je hoeft daarvan nog geen ingewikkelde natuurkunde te maken. Voel vooral wat er gebeurt als je de fok even laat killen terwijl het grootzeil blijft trekken.

Uitvoering

Begin op ruim water met voldoende snelheid, bijvoorbeeld op een halvewindse koers. Kies eerst een duidelijk punt waar je naartoe wilt varen. Kijk vervolgens of er aan loef voldoende ruimte is en of je met je koerswijziging geen ander vaarverkeer hindert.

Duw de helmstok rustig in de richting van het zeil. De boeg draait nu naar de wind. Geef geen enorme roeruitslag, want dan maak je vooral een indrukwekkende remparachute onder water. Terwijl de boot draait, trek je de grootschoot en de fokkeschoot geleidelijk aan. Hoe meer de wind van voren komt, hoe dichter de zeilen naar het midden van de boot moeten.

Kijk tijdens de draai naar het voorlijk van de zeilen. Begint daar een kleine tegenbolling te ontstaan, dan kilt het zeil. Trek de schoot iets aan of stop met verder oploeven. Zodra je de gewenste koers bereikt, breng je de helmstok weer naar het midden en controleer je de zeilstand. De zeilen staan goed wanneer ze zo ver mogelijk gevierd zijn zonder dat het voorlijk kilt.

Veiligheid

Kijk vóór het oploeven altijd waar je naartoe gaat. Aan loef kan een boot, steiger, ondiepte of andere hindernis liggen die eerst buiten je blikveld viel. Laat de aandacht voor de grootschoot dus nooit ten koste gaan van het uitkijken.

Houd de helmstok losjes maar gecontroleerd vast en maak kleine bewegingen. Zorg dat de schoten vrij kunnen lopen en niet rond handen of voeten liggen. Laat een zwaar belaste schoot nooit ongecontroleerd door je vingers glijden. Houd ook rekening met de giek en waarschuw de bemanning wanneer je verder wilt oploeven tot een overstagmanoeuvre.

Praktische aandachtspunten

Probeer helmstok en schoot als één geheel te bedienen. De boot draait naar de wind, terwijl het zeil gelijktijdig naar binnen komt. Als je eerst helemaal stuurt en pas daarna aan de schoot denkt, gaat het zeil klapperen en verliest de boot vaart.

Luister ook naar de boot. Een rustig zoemend zeil en een lichte druk op het roer vertellen vaak dat het goed gaat. Hard klapperende zeilen, een zware helmstok of plotseling snelheidsverlies zeggen juist dat er iets moet worden aangepast.

Een goede oefening is om vanaf halve wind rustig naar een punt aan loef te sturen en daarna weer af te vallen. Herhaal dit als een brede slingerkoers. Probeer de draai steeds gelijkmatig te maken en de zeilen voortdurend passend bij de koers te zetten.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je vóór de manoeuvre om je heen kijkt, de windrichting kunt aanwijzen en weet dat je naar de wind toe gaat draaien. Tijdens het oploeven wordt gekeken of je met kleine roerbewegingen stuurt, de zeilen geleidelijk aantrekt en de bocht gelijkmatig uitvoert.

Let zelf op het voorlijk van de fok en het grootzeil. Een kleine tegenbolling laat zien dat het zeil begint te killen. Voel daarnaast wat er aan de helmstok gebeurt. Wordt de druk plotseling heel groot, dan geef je mogelijk te veel roer of loopt de boot te schuin. Verdwijnt de snelheid en gaan beide zeilen hard klapperen, dan ben je waarschijnlijk te ver opgeloefd.

Kijk ook naar de helling van de boot. Bij het aan-de-wind varen kan de boot wat schuiner gaan liggen. Zorg dat de bemanning aan de hoge kant zit en blijf rustig doorsturen. Herken je het moment waarop de boot sneller gaat hellen en het roer zwaarder voelt?

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is te veel roer geven. De boot draait dan wel, maar remt tegelijk sterk af. Stuur daarom met kleine, rustige bewegingen en laat de zeilen meehelpen.

Een tweede fout is dat de schoten te laat worden aangetrokken. De boot draait dan naar de wind, terwijl de zeilen nog bij de oude koers staan. Ze gaan killen of zelfs luid klapperen. Kijk tijdens de hele bocht naar het voorlijk en trek de schoten geleidelijk aan.

Sommige cursisten trekken de zeilen juist te vroeg of te strak aan. De boot gaat dan meer hellen en voelt zwaar aan. Zoek de juiste stand door het zeil kort iets te vieren tot het bijna kilt en het daarna weer een klein stukje aan te trekken.

Ook wordt de helmstok soms gekruist doorgegeven of helemaal losgelaten om met twee handen de schoot te pakken. Daardoor kan de boot onverwacht verder draaien. Houd de helmstok onder controle of neem hem tijdelijk onder je arm terwijl je de schoot aantrekt.

Tot slot kijken beginners vaak vooral naar hun handen. Dat is begrijpelijk, want daar gebeurt genoeg. Toch blijft de belangrijkste richting vóór je. Wissel daarom bewust tussen kijken naar je bestemming, het overige vaarverkeer, de wind en de zeilen.

Samenvatting

Oploeven is het met de boeg naar de wind toe draaien. Je kijkt eerst of er ruimte is, stuurt rustig naar de wind en trekt tijdens de draai de zeilen geleidelijk aan. Gebruik weinig roer, let op het killen van de zeilen en stop de draai zodra je de gewenste koers bereikt. Een goede oploevende beweging voelt vloeiend: de boot blijft varen, het zeil klappert nauwelijks en de helmstok blijft licht in je hand.

“Naar de wind toe? Trek de zeilen gezellig mee.”