veiligheidscheck voor vertrek – kb2

Een veiligheidscheck vóór vertrek is het moment waarop je controleert of bemanning, boot, weer, vaargebied en vertrekplan bij elkaar passen. Bij Kielboot 2 doe je dit steeds zelfstandiger: je kijkt niet alleen of alles aanwezig is, maar beoordeelt ook of je met déze boot en déze bemanning onder de verwachte omstandigheden verantwoord kunt uitvaren.

Een goede check duurt maar kort, zolang je hem vóór vertrek doet. Midden op de plas ontdekken dat de ankerlijn ontbreekt, is een aanzienlijk langere controle.

Waarom is dit belangrijk?

Op het water kun je niet altijd onmiddellijk stoppen of terugkeren. Een beschadigde lijn, ontbrekend reddingsvest of verkeerd ingeschatte weersontwikkeling kan daardoor snel een serieus probleem worden. Voor Kielboot 2 wordt uitgegaan van varen onder redelijke omstandigheden, op niet te druk vaarwater en tot en met windkracht 4 Beaufort. De veilige keuze hangt echter ook af van het vaarwater, de boot en de ervaring van de bemanning.

De veiligheidscheck geeft bovendien rust. Als iedereen weet waarheen je vaart, hoe je vertrekt en wie welke taak heeft, verloopt het losgooien beheerst. Je voorkomt dat de landvasten al los zijn terwijl de stuurman nog zoekt naar de windrichting en de fokkenist vraagt wat eigenlijk het plan is.

Leerdoelen

Na afloop kun je zelfstandig een veiligheidscheck voor vertrek uitvoeren. Je beoordeelt de staat en uitrusting van de kielboot, controleert de persoonlijke veiligheid van de bemanning en vergelijkt het actuele weer met het vaargebied en het niveau van de opvarenden.

Je kunt een eenvoudig vaarplan maken, bepalen of de gekozen route haalbaar is en uitwijkmogelijkheden aanwijzen. Ook kun je de taken voor het vertrek verdelen en besluiten de tocht aan te passen, te reven of niet uit te varen wanneer de omstandigheden niet passend zijn.

Uitleg

Theorie

Een overzichtelijke veiligheidscheck bestaat uit vijf onderdelen:

  1. Bemanning
  2. Boot
  3. Weer
  4. Vaargebied en route
  5. Vertrekplan

Bij Kielboot 2 controleer je deze onderdelen niet als vijf losse afvinklijstjes. Je brengt ze met elkaar in verband. Windkracht 4 kan bijvoorbeeld binnen het Kielboot 2-vaargebied vallen, maar toch te veel zijn wanneer de bemanning onervaren is, het vaarwater smal is of stevige vlagen worden verwacht. De beslissing om te reven hangt eveneens samen met de boot, het zeilwater, de wind en de geoefendheid van de bemanning.

Uitvoering

1. Controleer de bemanning

Kijk of voor iedere opvarende een passend reddingsvest aanwezig is. Controleer of het vest goed zit, gesloten is en niet te groot of te klein is. De bemanning moet bovendien kleding dragen die past bij temperatuur, wind en neerslag, met de mogelijkheid om zich aan veranderende omstandigheden aan te passen.

Vraag ook of iedereen zich goed genoeg voelt om te varen. Vermoeidheid, kou, spanning of weinig ervaring beïnvloeden wat verantwoord is. Een bemanningslid dat een taak niet begrijpt, moet dit vóór het vertrek kunnen zeggen. Op het water is “ik dacht dat iemand anders het deed” zelden een overtuigende veiligheidsstrategie.

2. Controleer de boot

Loop vanaf de boeg naar het achterschip en kijk gericht naar beschadigingen en losse onderdelen. Controleer in ieder geval:

  • romp en kuip op schade en overmatig water;
  • mast, mastvoet, voorstag, zijstagen en bevestigingen;
  • roer, helmstok en overige bedieningsdelen;
  • vallen, schoten en landvasten op slijtage en knopen;
  • blokken, kikkers, sluitingen en borgingen;
  • grootzeil en fok op beschadigingen;
  • reefinrichting en kraanlijn;
  • zelflozers of andere voorzieningen om te hozen;
  • vrije en opgeruimde kuipvloer.

Lijnen mogen niet beschadigd zijn of los overboord hangen. De kuipvloer moet vrij blijven, zodat niemand struikelt en een schoot of val direct gebruikt kan worden.

Controleer daarna de inventaris. Voor een leskielboot noemt het opleidingshandboek onder andere complete tuigage, zeilbandjes, reefvoorzieningen, kraanlijn, hoosmogelijkheid, landvast-, sleep- en ankerlijnen, meerpen, stootkussens, scheepshoorn, vaarboom of peddel, gebruiksklaar anker, verbandtrommel en een zwemvest per opvarende.

Niet alles hoeft tijdens normaal varen in de kuip te liggen. Het moet wel aanwezig, bereikbaar en bruikbaar zijn. Een anker onder een zorgvuldig opgebouwde berg jassen is technisch aan boord, maar praktisch op vakantie.

3. Controleer het weer

Bekijk kort voor vertrek het actuele weerbericht. Let daarbij op:

  • huidige en verwachte windkracht;
  • windrichting;
  • windvlagen;
  • neerslag en temperatuur;
  • zicht;
  • verwachte veranderingen;
  • waarschuwingen en kans op onweer.

Kijk vervolgens zelf naar de lucht en het water. Snel opkomende bewolking, een plotselinge verandering van de wind of een snelle toename van de wind kunnen op een weersomslag wijzen. Blijf deze signalen ook tijdens het varen volgen.

Voor Kielboot 2 geldt niet simpelweg: “Vier Beaufort, dus gaan.” Vraag jezelf af of de omstandigheden passen bij de boot, het vaarwater en de ervaring van de bemanning. Bepaal vóór vertrek of reven nodig is. Het grootzeil vooraf reven is meestal eenvoudiger dan deze handeling pas uit te voeren wanneer de boot hard helt en de eerste lunchbox al door de kuip reist.

4. Controleer vaargebied en route

Bepaal waar je heen wilt en of de route haalbaar is. Kijk naar ondieptes, obstakels, beperkte doorvaarthoogtes, verboden vaargebieden, bruggen en drukke vaargeulen. Houd rekening met de diepgang en doorvaarthoogte van de eigen boot.

Bedenk ook een kortere route en plaatsen waar je beschutting kunt zoeken of veilig kunt aanleggen. De terugweg verdient bijzondere aandacht. Een comfortabele ruimewindse heenreis kan een stevige aan-de-windse terugtocht worden.

Bij onbekend vaarwater controleer je vooraf welke vaarregels gelden. Houd rekening met grote schepen, die door hun diepgang soms niet uit een vaargeul kunnen wijken. Blijf daarnaast buiten hun dode hoek en uit de gebieden waar zuiging kan optreden.

5. Maak een vertrekplan

Bepaal eerst de windrichting en kijk hoe de boot ten opzichte van de wal ligt. Bespreek vervolgens:

  • over welke boeg je wilt wegvaren;
  • welke landvast als laatste losgaat;
  • wie stuurt;
  • wie de fok bedient;
  • wie afduwt en waar die persoon instapt;
  • wie uitkijkt naar ander verkeer;
  • waar je naartoe vaart als het vertrek niet direct lukt.

Controleer voordat de laatste lijn losgaat of de vaarweg vrij is. Een vertrekkend schip mag andere schepen niet hinderen. Wacht dus wanneer bestaande scheepvaart koers of snelheid zou moeten veranderen om jouw vertrek mogelijk te maken.

Sluit af met een korte mondelinge check:

“Boot gereed?”
“Bemanning gereed?”
“Vaarweg vrij?”
“Plan duidelijk?”

Pas na hoorbare bevestiging worden de landvasten losgemaakt.

Veiligheid

Een onzekere uitkomst betekent niet automatisch dat je toch maar vertrekt en onderweg verder kijkt. Bij schade aan tuigage, ontbrekende veiligheidsmiddelen, onweer, onvoldoende zicht of omstandigheden die de bemanning niet beheerst, stel je het vertrek uit of pas je het plan aan.

Kleine gebreken herstel je vóór vertrek. Een groter of onzeker gebrek laat je controleren door een bevoegde instructeur of verantwoordelijke voor het materiaal. Een versleten stag wordt niet betrouwbaarder omdat iedereen er hoopvol naar kijkt.

Zorg dat noodzakelijke middelen bereikbaar blijven. Een ankerlijn moet vrij kunnen uitlopen, het hoosmiddel moet gepakt kunnen worden en de vaarboom of peddel mag niet onder de bagage verdwijnen. Losse lijnen worden opgeschoten en zo opgeborgen dat ze zonder knopen kunnen worden gebruikt.

Praktische aandachtspunten

Gebruik steeds dezelfde volgorde. Een handige geheugensteun is:

Mens, Schip, Weer, Weg, Werkplan.

Bij Mens kijk je naar reddingsvest, kleding, gezondheid en ervaring. Bij Schip controleer je schade, tuigage, lijnen, roer, zeilen en inventaris. Bij Weer beoordeel je wind, vlagen, zicht, temperatuur en ontwikkelingen. Bij Weg bekijk je route, waterdiepte, bruggen en uitwijkmogelijkheden. Bij Werkplan verdeel je taken en bespreek je vertrek en alternatief.

Laat bij Kielboot 2 de cursist de check zelf uitvoeren. De instructeur controleert en stelt vragen: “Waarom neem je een rif?”, “Waar kun je beschutting zoeken?” en “Welke lijn gaat als laatste los?” Zo wordt de veiligheidscheck een voorbereiding op zelfstandig varen en geen toneelstuk waarbij iemand plechtig tegen een anker schopt.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je systematisch werkt en werkelijk kijkt, voelt en controleert. Alleen zeggen dat de verstaging goed is, is onvoldoende. Je moet de bevestigingen bekijken en onregelmatigheden herkennen. Ook wordt erop gelet of je de weersinformatie vertaalt naar een passende keuze voor boot, route en bemanning.

Je let zelf op losse sluitingen, rafelige lijnen, water in de kuip, een zwaar bewegend roer, een geblokkeerde zelflozer en materiaal dat niet bereikbaar is. Een goede veiligheidscheck eindigt met een opgeruimde kuip, passende zeilvoering en een bemanning die het vertrekplan kan navertellen.

Minder goed gaat het wanneer iedereen afzonderlijk iets controleert, maar niemand het overzicht bewaakt. Ook veel vragen ná het losgooien zijn een duidelijk signaal dat het plan vooraf niet compleet was.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is alleen naar de actuele wind te kijken. De verwachting en mogelijke weersveranderingen zijn minstens zo belangrijk. Kijk daarom niet alleen naar het vaantje, maar ook naar het weerbericht, de wolken en het wateroppervlak.

Een tweede fout is de inventaris wel tellen, maar niet op bruikbaarheid controleren. Een anker zonder goed aangesloten lijn of een reddingsvest van de verkeerde maat lost weinig op. Controleer daarom niet alleen of iets aanwezig is, maar ook of het direct gebruikt kan worden.

Ook wordt het vaarplan soms pas na vertrek besproken. Daardoor gaan bemanningsleden onverwacht staan, grijpen twee mensen dezelfde landvast of blijft niemand uitkijken. Verdeel de taken voordat de laatste verbinding met de wal wordt losgemaakt.

Ten slotte wordt een gebrek soms gebagatelliseerd omdat de tocht “maar kort” is. Problemen houden helaas geen rekening met de lengte van het rondje. Bij twijfel kies je voor herstellen, aanpassen of niet vertrekken.

Samenvatting

Een goede veiligheidscheck voor Kielboot 2 verbindt bemanning, boot, weer, vaargebied en vertrekplan. Je controleert reddingsvesten en kleding, beoordeelt de ervaring van de bemanning, inspecteert boot en tuigage en zorgt dat veiligheidsmiddelen compleet, bereikbaar en bruikbaar zijn.

Vervolgens vergelijk je de actuele en verwachte omstandigheden met het niveau van de bemanning. Je kiest passende zeilvoering, verkent route en uitwijkmogelijkheden en verdeelt de taken vóórdat de landvasten losgaan. Vertrek pas wanneer de boot gereed is, de bemanning het plan begrijpt en de vaarweg vrij is.

“Een goede schipper begint de tocht met kijken, niet met losgooien.”