Een goede zeildag begint niet bij het hijsen van de zeilen, maar bij de veiligheidscheck voor vertrek. Voordat de landvasten losgaan, controleer je samen met de instructeur de bemanning, de boot, het weer en de omgeving. Zo ontdek je problemen terwijl je nog rustig aan de kant ligt, en niet wanneer de meerpen ineens spoorloos blijkt op het moment dat je hem nodig hebt.
Bij Kielboot 1 hoef je deze controle nog niet helemaal zelfstandig uit te voeren. Je leert vooral waarom de verschillende controles nodig zijn, wat je zelf kunt bekijken en wanneer je iets aan de schipper of instructeur moet melden.
Waarom is dit belangrijk?
Op het water kun je niet zomaar even uitstappen om een vergeten onderdeel te halen. Een slecht passend reddingsvest, een beschadigde lijn, water in de kuip of een ontbrekende vaarboom kan onderweg voor onveilige situaties zorgen. Daarom controleer je vóór vertrek of de boot goed onderhouden, zeilklaar en compleet is. Voor een opleidingsboot behoren onder andere een complete tuigage, een mogelijkheid om te reven en te hozen, landvasten, stootkussens, een vaarboom of peddel, een anker, een verbandtrommel en een passend zwemvest voor iedere opvarende tot de uitrusting.
De controle gaat niet alleen over de boot. Ook de bemanning, het weer en de vaaromgeving bepalen of je veilig kunt vertrekken. Voor Kielboot 1 wordt uitgegaan van gunstige omstandigheden, rustig vaarwater en matige wind tot en met 3 Beaufort. Goed zeemanschap betekent bovendien dat je er alles aan doet om gevaar en aanvaringen te voorkomen.
Leerdoelen
Na afloop kun je onder begeleiding een eenvoudige veiligheidscheck uitvoeren. Je kunt controleren of iedereen geschikt gekleed is en een passend reddings- of zwemvest draagt. Je herkent zichtbare schade of ontbrekende uitrusting, weet dat lijnen en schoten vrij moeten kunnen lopen en kunt aangeven waar de wind vandaan komt.
Je begrijpt ook waarom de schipper vóór vertrek naar het actuele weer, de vaarroute en de andere scheepvaart kijkt. Tot slot kun je tijdens de laatste vertrekcontrole meedenken: zijn de taken verdeeld, liggen de losse spullen veilig opgeborgen en is de vaarweg werkelijk vrij?
Uitleg
Theorie
Een handige manier om de veiligheidscheck te onthouden is:
Mens, boot, weer en omgeving.
Bij mens kijk je naar iedereen aan boord. Is ieder bemanningslid aanwezig, geschikt gekleed en in staat om veilig mee te varen? Bij boot controleer je de romp, tuigage, lijnen en inventaris. Bij weer kijk je naar wind, temperatuur, neerslag en mogelijke veranderingen. Bij omgeving let je op de ligplaats, de vaarweg, obstakels en ander verkeer.
Voor een beginnende zeiler is het belangrijk dat de omstandigheden passen bij het niveau. Kielboot 1 is gericht op leren varen onder gunstige omstandigheden, op rustig vaarwater en bij matige wind. Het is geen niveau waarop je zelfstandig moeilijke weersomstandigheden moet gaan uitproberen. Heldhaftigheid is leuk in een zeemansverhaal, maar minder handig tijdens je eerste zeilles.
Uitvoering
Begin bij de bemanning. Controleer of iedereen passende kleding en schoenen draagt. Op het water kan het kouder aanvoelen dan aan de wal, dus zorg dat extra kleding of regenkleding beschikbaar is wanneer het weer kan veranderen. Iedereen draagt een goed passend en correct gesloten zwem- of reddingsvest. Een reddingsvest moet onder andere het hoofd boven water kunnen houden en de drager op de rug kunnen draaien.
Loop daarna samen de boot na. Kijk of er opvallende beschadigingen zijn aan de romp, mast, verstaging, het roer en de helmstok. Controleer of de lijnen, vallen, schoten en landvasten niet ernstig versleten of in de war zijn. Kijk ook of de kuip voldoende droog is en of hozen mogelijk is. De tuigage moet compleet zijn en de kraanlijn, zeilbandjes en reefmogelijkheden moeten aanwezig zijn.
Controleer vervolgens de inventaris. Denk aan landvasten, stootwillen, vaarboom of peddel, anker met ankerlijn, meerpen, hoosmiddel, geluidssignaal en verbandtrommel. Niet ieder onderdeel hoeft voor vertrek midden in de kuip te liggen. Het moet wel aan boord, bruikbaar en bereikbaar zijn. Losse spullen worden zo opgeborgen dat ze niet door de kuip rollen of tussen de schoten terechtkomen.
Bekijk daarna de zeilen en lijnen. Zijn de vallen goed aangeslagen? Lopen de schoten vrij? Zitten er achtknopen in de uiteinden waar dat nodig is? Zijn de zeilbandjes op het juiste moment los te maken? Controleer ook of de kuipvloer vrij is van losse lijnen. Opgeschoten lijnen geven minder kans op struikelen, knopen en vastlopende schoten.
Bepaal ten slotte de windrichting en bespreek het vertrek. Kijk naar het vaantje, vlaggen, rimpels op het water en de stand van andere boten. Spreek af over welke kant je wilt wegvaren, wie afduwt, wie de fok bedient en wie blijft uitkijken. Voor een veilige afvaart moeten de schoten los kunnen lopen, zit de stuurman aan de toekomstige loefzijde en wordt vóór het losgooien gecontroleerd of de vaarweg vrij is.
Veiligheid
Vertrek niet wanneer er een defect is dat de veiligheid kan beïnvloeden. Een beschadigde stag, slecht werkend roer, zwaar versleten lijn of ontbrekend reddingsvest wordt eerst gemeld en opgelost. Zelf even creatief repareren zonder overleg is geen onderdeel van Kielboot 1.
Controleer ook of de omstandigheden passen bij de boot en de bemanning. De beslissing om te reven of niet uit te varen hangt samen met het schip, het vaarwater, de windkracht en de ervaring van de bemanning. Voor Kielboot 1 hoort de instructeur die beslissing te nemen. Jij leert de signalen herkennen en meldt wat je ziet of voelt.
Vlak voor vertrek kijkt iedereen nog eenmaal naar buiten. Een vertrekkend schip moet wachten totdat veilig kan worden afgevaren en mag het overige verkeer niet hinderen. Als er twijfel is, blijven de landvasten nog even vast. De vaarweg loopt niet weg, al doet een enthousiaste bemanning soms alsof dat wel zo is.
Praktische aandachtspunten
Werk steeds in dezelfde volgorde. Begin bij de mensen, controleer daarna de boot en inventaris, kijk vervolgens naar het weer en eindig met de vertrekmanoeuvre. Een vaste volgorde helpt voorkomen dat je iets overslaat.
Gebruik tijdens de controle je ogen én je handen. Kijk of een lijn rafelt en voel of er harde, dunne of beschadigde plekken in zitten. Beweeg de helmstok rustig heen en weer en controleer of het roer reageert. Kijk omhoog langs de mast en verstaging. Luister ook: hoor je een ongewoon tikken, schuren of klapperen? Meld alles wat je niet vertrouwt.
Maak vóór vertrek een kort plan. Waar gaan we heen? Hoe varen we weg? Wie doet wat? Wat doen we als het vertrek niet lukt? Duidelijke communicatie voorkomt dat drie mensen tegelijk dezelfde landvast losmaken terwijl niemand bij de helmstok zit.
Observatiepunten tijdens de praktijk
De instructeur let erop of je de veiligheidscheck rustig en in een logische volgorde uitvoert. Je hoeft nog niet ieder onderdeel zelfstandig te beoordelen, maar je moet wel actief meekijken, vragen stellen en afwijkingen melden. De instructeur kijkt bijvoorbeeld of je controleert of het reddingsvest goed gesloten is, de lijnen vrijlopen en de kuip opgeruimd is.
Zelf let je vooral op zichtbare en voelbare signalen. Zit het vest comfortabel en stevig? Voelt de helmstok normaal aan? Zijn de lijnen soepel en zonder opvallende beschadigingen? Kunnen de schoten zonder knopen of obstakels door de kuip lopen? Kijk ook naar de wind. Wat zie je aan de vlaggen en het water? Uit welke richting voel je de wind op je gezicht?
Vlak voor vertrek hoort er rust aan boord te zijn. Iedereen kent zijn taak, de schoten zijn vrij, de losse spullen zijn opgeborgen en iemand kijkt naar het vaarverkeer. Wanneer er op het laatste moment nog druk wordt gezocht naar een vaarboom of iedereen door elkaar begint te roepen, is de voorbereiding nog niet klaar.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is dat de controle pas begint nadat de zeilen al gehesen zijn. Dan klappert het grootzeil, beweegt de giek en wordt rustig nadenken ineens een stuk lastiger. Controleer de boot en inventaris daarom voordat je aan de vertrekhandeling begint.
Beginnende zeilers kijken vaak alleen naar de zeilen en vergeten het roer, de landvasten of het hoosmiddel. Gebruik daarom steeds de vier vaste onderdelen: mens, boot, weer en omgeving. Zo voorkom je een controle die vooral bestaat uit bewonderend naar de mast kijken.
Ook worden zwem- of reddingsvesten soms te los gedragen. Controleer niet alleen of er een vest aanwezig is, maar ook of het past en correct gesloten is. Een vest dat bij de eerste beweging over je oren schuift, is vermoedelijk niet optimaal afgesteld.
Een andere fout is dat de landvasten al worden losgemaakt voordat de taken zijn verdeeld en de vaarweg vrij is. Houd de boot vast totdat iedereen klaarstaat en de schipper het vertrekcommando geeft. Bij twijfel wacht je. Een vertrek mag best een halve minuut later plaatsvinden, zolang het maar veilig gebeurt.
Samenvatting
Voor vertrek controleer je vier dingen: de mensen, de boot, het weer en de omgeving. Iedereen draagt passende kleding en een goed gesloten zwem- of reddingsvest. De boot is heel, droog en zeilklaar, de lijnen lopen vrij en de noodzakelijke inventaris is compleet en bereikbaar. Daarna bepaal je de windrichting, verdeel je de taken en controleer je of de vaarweg vrij is.
Bij Kielboot 1 voer je deze check onder begeleiding uit. Je belangrijkste taak is goed kijken, luisteren en melden wat je niet vertrouwt. Pas wanneer de bemanning klaar is, de boot klopt en de omgeving veilig is, gaan de landvasten los.
“Eerst alles aan dek op orde, daarna wacht de horizon.”
