reven – kb3

Reven is het verkleinen van het zeiloppervlak wanneer de wind te sterk wordt voor comfortabel en veilig varen met vol zeil. Door een rif in het grootzeil te zetten en zo nodig ook de fok te verkleinen, vermindert de winddruk. De boot helt minder, wordt rustiger op het roer en blijft beter bestuurbaar.

Bij Kielboot 3 moet je niet alleen kúnnen reven op het eigen schip. Je moet ook zelfstandig bepalen wanneer dat nodig is. Daarbij kijk je verder dan de windmeter. Je beoordeelt de boot, het vaarwater, de weersontwikkeling en vooral de ervaring en belastbaarheid van de bemanning. De veilige vuistregel blijft: reef op tijd. Een rif eruit halen is eenvoudig. Een rif zetten terwijl iedereen inmiddels met grote ogen aan loef hangt, is een stuk minder gezellig.

Waarom is dit belangrijk?

Met te veel zeil bouwt de boot meer helling en loefgierigheid op. Je moet dan harder aan de helmstok trekken om koers te houden, terwijl de grote roeruitslag extra weerstand veroorzaakt. Vaak wordt de grootschoot voortdurend gevierd om druk te lozen. De boot vaart dan met een half killend grootzeil, verliest snelheid en wordt onrustig bestuurbaar.

Een gereefde boot kan juist sneller en doelmatiger varen dan dezelfde boot met te veel zeil. De boot blijft rechter, de kiel werkt beter tegen verlijering en het roer hoeft minder te corrigeren. Bovendien beweegt de bemanning veiliger door de kuip en kun je manoeuvres rustiger voorbereiden.

Op Kielboot 3-niveau weeg je bij de reefbeslissing verschillende factoren mee: het schip, het vaarwater, de windsterkte en de ervaring van de bemanning. Het gebruikte CWO-instructiemateriaal verlangt bovendien dat je het reefsysteem van het eigen schip praktisch beheerst en twee andere reefsystemen theoretisch kent.

Leerdoelen

Na afloop kun je zelfstandig herkennen wanneer een rif nodig is. Je beoordeelt daarbij niet alleen de actuele wind, maar ook de vlagen, de weersverwachting, de beschikbare ruimte, de staat van het schip en de ervaring van de bemanning.

Je kunt op het eigen schip veilig een rif zetten en weer verwijderen. Je kent de functie van kraanlijn, halstalie, reefkous, reefhaak, smeerreep, reeflijn en reefelastieken. Je kunt de fok passend bij het grootzeil verkleinen en na afloop controleren of het gereefde zeil correct is aangeslagen en getrimd.

Daarnaast ken je naast het systeem van de eigen kielboot ten minste twee andere reefsystemen, bijvoorbeeld een bindrif en een rolrif. Je kunt benoemen waar bij ieder systeem fouten kunnen ontstaan en weet dat de precieze uitvoering per boot verschilt.

Uitleg

Theorie

Reven verkleint het zeiloppervlak en daarmee de druk en hellende werking van de wind. Een kleiner zeiloppervlak betekent niet automatisch minder bruikbare snelheid. Wanneer de boot met vol zeil voortdurend sterk helt en de grootschoot steeds moet worden gevierd, gaat veel energie verloren aan helling, verlijering en roerweerstand. Met een passend rif kan de boot rechter en evenwichtiger varen.

De beslissing om te reven wordt niet uitsluitend aan één Beaufortgetal gekoppeld. Dezelfde windsnelheid kan op beschut vaarwater beheersbaar zijn en op open water met korte golven veel meer van schip en bemanning vragen. Ook koude, buiige wind voelt anders aan dan een gelijkmatige warme wind. Kijk daarom naar het totaalbeeld.

Belangrijke signalen zijn een voortdurend zwaar roer, sterke en wisselende helling, veel water aan dek, een grootzeil dat steeds moet killen en een bemanning die moeite krijgt om veilig te bewegen of haar taken goed uit te voeren. Ook wanneer je zelf twijfelt of de omstandigheden beheersbaar blijven, is dat waardevolle informatie. Reven is geen bewijs dat je te weinig durft. Het is bewijs dat je vooruitkijkt.

Een veelgebruikte praktische indicatie voor een Polyvalk is het eerste rif rond 4 Beaufort, het tweede rif rond 5 tot 6 Beaufort en niet uitvaren bij 7 Beaufort. Dit blijft een richtlijn die je moet combineren met boot, koers, vlagen, vaarwater en bemanning.

Uitvoering

Voorbereiding

Kies eerst de veiligste plaats en werkwijze. Aan de wal reven is meestal eenvoudiger dan op open water. Verwacht je al vóór vertrek stevige wind, zet het rif dan in de haven. Daarmee voorkom je dat je later met belast materiaal en een bewegende boot moet werken.

Moet je onderweg reven, kies dan ruim en vrij vaarwater. Verdeel de taken voordat iemand een val losmaakt. Eén persoon stuurt en bewaakt koers, verkeer en ruimte. Een ander bedient vallen, kraanlijn en reefinrichting. Spreek af wie het zeil opvangt en wie blijft uitkijken.

Controleer vooraf welk reefsysteem op de boot aanwezig is. Kijk of de smeerreep goed door het juiste reefoog en blok loopt, of de reefhaak bereikbaar is en of de reefelastieken vrij zijn. Leg de benodigde lijnen gebruiksklaar en haal kinken eruit.

Een bindrif zetten

Onderstaande volgorde past bij een gebruikelijk bindrifsysteem op een gaffelgetuigde kielboot. De exacte beslagvoering kan per lesboot verschillen. Volg daarom altijd de vaste werkwijze van het eigen schip.

Zet eerst de kraanlijn door, zodat de giek veilig blijft hangen wanneer de spanning uit het grootzeil wordt gehaald. Haal daarna de spanning van de halstalie en maak de rijglijn zo nodig los tot het gekozen reefoog.

Laat het grootzeil gecontroleerd zakken totdat de nieuwe halshoek bij het lummelbeslag kan worden aangehaakt. Beleg de vallen tijdelijk en betrouwbaar. Zorg dat je beide vallen onder controle houdt en laat de gaffel niet ongecontroleerd zakken.

Haak vervolgens het reefoog van de nieuwe halshoek bij het lummelbeslag in de daarvoor bedoelde haak of bevestiging. Controleer daarna de smeerreep bij de nieuwe schoothoek. Deze moet correct door het reefoog en het daarvoor bestemde blok lopen.

Trek de smeerreep stevig door. De nieuwe schoothoek moet zowel naar achteren als naar beneden worden getrokken. Daardoor ontstaat een strak nieuw onderlijk. Beleg de smeerreep op de daarvoor bedoelde kikker op de giek.

Rol of vouw het weggereefde deel van het zeil naar de giek toe op en zet het vast met de daarvoor bedoelde reefelastieken of bindmiddelen. Deze houden uitsluitend het losse doek bijeen. Zij mogen niet de kracht van de nieuwe hals- en schoothoek overnemen.

Zet daarna het zeil weer. Bevestig of span de rijglijn opnieuw, zet de halstalie door en stel piekenval en klauwval. Vier ten slotte de kraanlijn zover dat deze het zeil niet vervormt. Controleer of het onderlijk strak staat, het losse doek nergens klappert en alle lijnen veilig zijn belegd.

Zeilend reven

Zeilend reven kan op een ruime aan-de-windse koers. De stuurman houdt koers en voldoende vaart op de fok. Het grootzeil wordt zo ver gevierd dat het vrijwel geen druk meer opbouwt. Daardoor kan de bemanning de reefhandelingen uitvoeren terwijl de boot bestuurbaar blijft varen. Deze methode kan op open water rustiger zijn dan volledig stilvallen, maar vraagt wel een stuurman die koers en verkeer zelfstandig onder controle houdt.

Een andere mogelijkheid is bijliggen en het grootzeil strijken. De bemanning kan dan gemakkelijker helpen, maar de boot kan meer rollen en zijwaarts wegdrijven. Voor deze aanpak heb je daarom voldoende vrije ruimte nodig.

De fok verkleinen

Bij een rolfok vier je eerst de werkende fokkenschoot enigszins en trek je de rolfoklijn gecontroleerd aan. Wanneer voldoende zeil is ingerold, beleg je de rolfoklijn en trek je de fokkenschoot opnieuw passend aan. Controleer of het zeil strak en gelijkmatig is ingerold en of de schoten vrij blijven lopen.

Een andere mogelijkheid is het wisselen van de gewone fok voor een kleinere stormfok. Sommige boten gebruiken juist geen fok of een gedeeltelijk ingerolde fok. Welke combinatie veilig en bestuurbaar is, hangt af van het ontwerp van het schip en het beschikbare reefsysteem. Een CWO-lesboot hoort een stormfok of een reefmogelijkheid voor de fok te hebben.

Ontreven

Ontreven gebeurt in hoofdzaak in omgekeerde volgorde. Kies opnieuw een veilige positie, ontlast het grootzeil, zet de kraanlijn door en houd de vallen onder controle. Maak het opgebonden doek vrij, ontlast en verwijder de smeerreep, maak de gereefde halshoek los en herstel de oorspronkelijke hals- en schoothoek. Hijs en stel het zeil daarna opnieuw.

Verwijder het rif bij het nachtklaar maken. Een zeil dat langdurig gereefd blijft opgeborgen, wordt plaatselijk belast en ventileert minder goed.

Veiligheid

Reef voordat de omstandigheden de handeling moeilijk maken. In harde wind is het tuig zwaarder belast, beweegt de boot onrustiger en wordt iedere losse lijn extra interessant. Kies daarom tijdig een beschutte plek of een goed beheersbare koers.

Houd de bemanning aan de veilige zijde van giek en gaffel. Zet de kraanlijn door voordat de vallen worden gevierd. Laat vallen nooit los en houd vingers uit de buurt van blokken, reefhaken en kikkers.

Gebruik reefelastieken of bindlijnen alleen om het losse doek bijeen te houden. Belast daarmee niet het zeil. De werkelijke kracht hoort door de nieuwe halshoek en schoothoek te worden opgenomen.

Blijf tijdens het reven uitkijken. De wereld stopt niet met varen omdat jij toevallig met een smeerreep bezig bent. Wijs zo nodig één bemanningslid als uitkijk aan en breek de handeling af wanneer de vrije ruimte onvoldoende wordt.

Praktische aandachtspunten

Maak vóór vertrek altijd een reefplan. Vraag jezelf af welk rif je nodig hebt als de voorspelde vlagen werkelijk doorkomen, waar je onderweg beschutting kunt vinden en wie aan boord de boot bestuurt terwijl jij reeft.

Oefen het reefsysteem ook bij weinig wind. Laat iedere cursist aanwijzen waar halshoek, schoothoek, reefkous, smeerreep, reefhaak en kraanlijn zitten. Wie deze onderdelen pas tijdens een harde vlaag gaat zoeken, ontdekt meestal dat alle lijnen ineens verrassend veel op elkaar lijken.

Controleer na het reven niet alleen het doek, maar vooral het gedrag van de boot. Wat voel je aan de helmstok? Is de helling afgenomen? Kun je de grootschoot weer normaal bedienen zonder voortdurend grote hoeveelheden wind te lozen? Blijft de boot door de golven lopen? Dan heeft het rif waarschijnlijk zijn werk gedaan.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let eerst op jouw beslissing. Herken je de noodzaak voordat de boot onrustig of moeilijk bestuurbaar wordt? Kun je uitleggen waarom je voor het eerste of tweede rif kiest en betrek je daarbij wind, vaarwater, schip en bemanning?

Tijdens de uitvoering wordt gelet op voorbereiding en taakverdeling. De kraanlijn wordt vóór het vieren van de vallen doorgezet, de gaffel blijft onder controle en de nieuwe hals- en schoothoek worden correct bevestigd. De smeerreep loopt vrij en trekt de schoothoek naar achteren en beneden. Het losse zeildoek wordt netjes en zonder onnodige spanning opgeborgen.

Je let zelf op het verschil vóór en na het reven. De boot hoort minder te hellen, rustiger te sturen en minder ver naar lij weg te schuiven. De helmstok wordt lichter en de bemanning kan veiliger bewegen. Blijft de boot sterk loefgierig of moet het grootzeil voortdurend uitgebreid killen, dan is mogelijk een dieper rif, een kleinere fok of een ander vaarplan nodig.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is te laat reven. De boot helt al sterk, de helmstok is zwaar en de bemanning is druk bezig met binnenboord blijven. Voorkom dit door bij de eerste duidelijke signalen opnieuw naar het vaarplan te kijken. Een rif zetten in beheersbare omstandigheden is altijd eenvoudiger.

Een tweede fout is de reefelastieken strak aantrekken voordat de nieuwe hals- en schoothoek goed belast zijn. Daardoor komt de kracht op zwakke delen van het zeil te staan. Zet eerst de nieuwe hoeken correct vast en gebruik de elastieken daarna alleen voor het losse doek.

Ook wordt de smeerreep soms verkeerd ingeschoren of onvoldoende doorgezet. Het nieuwe onderlijk blijft dan los en de gereefde vorm wordt slecht. Volg de lijn vóór het belasten van reefoog naar blok en kikker en controleer of zij nergens gedraaid zit.

Een andere fout is alleen het grootzeil verkleinen zonder de balans van de fok opnieuw te beoordelen. De boot kan daardoor anders reageren op het roer. Kijk na iedere verandering naar helling, koersstabiliteit en roerdruk en verklein de fok wanneer het systeem en de omstandigheden daarom vragen.

Ten slotte wordt na het reven soms direct verder gevaren zonder een eindcontrole. Kijk omhoog, voel aan de lijnen en controleer het losse doek. Een zorgvuldig gezet rif hoort stil, strak en bijna een beetje saai te zijn. Klapperen, losse lussen en diagonale plooien zijn signalen om nogmaals te kijken.

Samenvatting

Reven is het tijdig verkleinen van het zeiloppervlak om de boot veilig, snel en bestuurbaar te houden. Op Kielboot 3 beoordeel je zelfstandig wanneer dat nodig is aan de hand van schip, vaarwater, wind en bemanning. Je kunt het reefsysteem van de eigen boot aan de wal en onderweg gebruiken en kent daarnaast andere systemen, zoals rolrif, bindrif en stormfok.

Werk steeds in een vaste volgorde: kies een veilige situatie, verdeel de taken, zet de kraanlijn door, ontlast het zeil, bevestig de nieuwe halshoek en schoothoek, span de smeerreep, berg het losse doek op en stel het zeil opnieuw. Controleer daarna vooral wat de boot je vertelt.

“Reef wanneer je eraan denkt, niet wanneer iedereen erom roept.”