Deinzen is het gecontroleerd achteruitvaren van een kielboot terwijl de boeg in de wind ligt en de zeilen geen voortstuwende kracht leveren. Je gebruikt deze manoeuvre vooral bij het afvaren van hogerwal wanneer je eerst afstand van de wal, steiger of andere boten moet maken. Op Kielboot 2 voer je dit niet meer toevallig uit. Je bepaalt vooraf waarheen je wilt, over welke boeg je gaat volvallen en hoeveel ruimte daarvoor nodig is.
Achteruitvaren voelt in het begin een beetje alsof de boot plotseling eigen ideeën heeft. Gelukkig is dat niet zo. De boot reageert nog steeds logisch op water, wind en roer, alleen beweegt het water nu in de andere richting langs het roerblad.
Waarom is dit belangrijk?
Aan een hogerwal komt de wind vanaf de wal. Wanneer er voldoende ruimte is, kun je de boeg direct afduwen en wegzeilen. Lig je tussen twee obstakels of wil je gecontroleerd afstand van de wal maken, dan is deinzen een veilige en praktische oplossing. Door eerst recht achteruit te varen, creëer je ruimte om daarna over de vooraf gekozen boeg vol te vallen.
Bij Kielboot 2 wordt deinzen geïntroduceerd als onderdeel van het zelfstandig afvaren van hogerwal. Je moet niet alleen de helmstok bedienen, maar ook de windrichting herkennen, de vaarweg controleren en samenwerken met de bemanning. Dat maakt deinzen een mooie combinatie van sturen, plannen en communiceren. Eigenlijk parkeer je de boot achteruit uit, maar dan zonder achteruitrijcamera en met gratis wind.
Leerdoelen
Na het oefenen kun je uitleggen wat deinzen is en herkennen wanneer deze manoeuvre nuttig is. Je kunt de kielboot met de boeg in de wind leggen, controleren of de schoten vrij zijn en de boot recht naar achteren laten afzetten. Tijdens het achteruitvaren houd je de helmstok stevig maar beheerst vast en corrigeer je met kleine roerbewegingen.
Je kunt vooraf bepalen over welke boeg je na het deinzen wilt volvallen. Ook kun je de bemanning duidelijke taken geven, de omgeving blijven controleren en zo nodig de fok kort bak laten zetten om de boeg de gewenste kant op te sturen. Zodra de boot op de juiste koers ligt, laat je het grootzeil weer wind vangen en bouw je gecontroleerd voorwaartse snelheid op.
Uitleg
Theorie
Deinzen betekent dat de boot achteruit beweegt terwijl de boeg naar de wind wijst. De schoten zijn los, waardoor de zeilen klapperen en nauwelijks voortstuwende kracht leveren. Een boot die in de wind ligt, kan door de wind en een achterwaartse afzet langzaam achteruit gaan bewegen.
Het roer werkt alleen goed wanneer er water langs stroomt. Zodra de boot achteruitvaart, stroomt het water andersom langs het roerblad. Daardoor reageert de boot anders op een roeruitslag dan wanneer je vooruitvaart. Een grote roeruitslag veroorzaakt bovendien veel kracht op de helmstok. Houd de helmstok daarom stevig vast en werk met kleine, beheerste bewegingen. Kijk vooral naar de richting waarin de boot daadwerkelijk beweegt. Herken je dit op het water? Zodra je naar de helmstok blijft staren, lijkt alles ingewikkeld. Kijk je naar je doel en het zog, dan wordt sturen ineens een stuk logischer.
Tijdens het deinzen verandert ook de wind die je aan boord ervaart. De achterwaartse beweging van de boot beïnvloedt de schijnbare wind, waardoor de wind ruimer kan lijken in te komen. Je kunt aan het grootzeil en het vaantje zien of de boeg nog goed in de wind ligt.
Uitvoering
Voordat je vertrekt, bepaal je waar de wind vandaan komt en over welke boeg je straks wilt volvallen. Kies bij voorkeur de zijde met de meeste vrije ruimte. Controleer vervolgens of de vaarweg achter en naast de boot vrij is. Zorg dat de schoten helemaal los en vrij van knopen of obstakels zijn. Verdeel het bemanningsgewicht ongeveer gelijk over bakboord en stuurboord en laat de stuurman plaatsnemen aan de toekomstige loefzijde.
Leg de boot met de boeg zo nauwkeurig mogelijk in de wind. De afduwer houdt de boot bij de voorstag of aan de randen van het voordek vast, zet een been aan boord en duwt de boot krachtig en recht naar achteren. Daarna stapt de afduwer beheerst in de kuip. De bedoeling is dat de boot achterwaartse snelheid krijgt zonder dat de boeg direct naar één kant wegdraait.
Terwijl de boot achteruitvaart, houd je de helmstok goed vast. Corrigeer rustig wanneer de boot van de gekozen lijn afwijkt. Kijk daarbij naar een punt achter de boot en naar het zog, niet uitsluitend naar de boeg of de helmstok. Wat voel je aan het roer? Bij een grotere uitslag neemt de kracht op de helmstok snel toe. Breng het roer dan tijdig terug en voorkom dat het uit je hand wordt geslagen.
Wanneer je voldoende afstand van de wal hebt, laat je de boot over de vooraf gekozen boeg volvallen. De fokkenist kan zo nodig de fok bak zetten om de boeg sneller de gewenste kant op te sturen. Volgens het opleidingshandboek geniet volvallen zonder fok bak de voorkeur wanneer dat lukt. Zodra de boot op de juiste koers ligt, trek je het grootzeil aan zodat de boot vooruit gaat varen. Daarna kan de fok over en aan.
Veiligheid
Controleer vóór het afduwen altijd of de vaarweg vrij is. Tijdens het deinzen kijk je niet alleen naar de wal, maar ook achterom en opzij. Een achteruitvarende boot maakt een bijzondere manoeuvre en andere schippers verwachten niet automatisch welke kant je daarna kiest.
Laat alle schoten vrijlopen en houd de helmstok voortdurend vast. Vooral bij meer achterwaartse snelheid of een grote roeruitslag kan de kracht op de helmstok sterk toenemen. Vermijd plotselinge, maximale roerbewegingen. De helmstok uit je handen laten slaan is slecht voor de controle en een verrassend effectieve manier om een blauwe plek te verzamelen.
De afduwer moet veilig aan boord kunnen stappen. Zorg daarom voor duidelijke taakverdeling en een rechte, krachtige afzet. Gebruik de fok alleen bak als dit nodig is om het volvallen te ondersteunen. Zet je de fok te vroeg bak, dan kan de boeg al draaien terwijl de boot nog te dicht bij de wal ligt.
Praktische aandachtspunten
Oefen deinzen eerst bij een steiger met veel vrije ruimte aan beide kanten. Laat de boot enkele bootlengtes recht achteruit varen en stuur vervolgens naar herkenbare punten. Probeer daarna de oorspronkelijke lijn terug te vinden en val over een vooraf afgesproken boeg vol. Zo leer je het gedrag van de boot kennen zonder dat iedere fout direct eindigt in een gesprek met de steiger.
Wissel regelmatig van stuurman en oefen onder verschillende omstandigheden. Begin met kleine roerbewegingen en voel hoeveel druk er op de helmstok ontstaat. Kijk steeds naar het doel, de stand van het grootzeil, de windrichting en het zog van de boot. Hoe eerder je een afwijking ziet, hoe kleiner de benodigde correctie.
Observatiepunten tijdens de praktijk
De instructeur let er bij Kielboot 2 op of je vóór het afvaren een duidelijk plan hebt. Kun je aanwijzen waar de wind vandaan komt? Heb je gezien waar de vrije ruimte ligt? Is duidelijk over welke boeg je gaat volvallen en weet de bemanning wat zij moet doen?
Tijdens het deinzen wordt gekeken of de boot werkelijk in de wind ligt, de schoten vrij zijn en de afzet recht naar achteren wordt gegeven. Je moet de helmstok onder controle houden en niet worden verrast door de toenemende kracht bij een grotere roeruitslag. Ook wordt gelet op je kijkgedrag: kijk je naar de bewegingsrichting en je omgeving, of raak je volledig gefascineerd door het stuk hout in je hand?
Je merkt dat het goed gaat wanneer de boot beheerst achteruitloopt, de boeg niet onverwacht wegdraait en kleine afwijkingen rustig worden gecorrigeerd. Het volvallen verloopt vervolgens in de geplande richting, zonder dat de spiegel of boeg terug naar de wal wordt gedrukt. Zodra de juiste koers is bereikt, gaat de overgang van achteruit naar vooruit varen vloeiend.
Veelgemaakte fouten
Een veelgemaakte fout is beginnen zonder vooraf te kiezen over welke boeg je wilt volvallen. Daardoor ontstaat pas tijdens het achteruitvaren overleg, meestal precies wanneer iedereen iets anders roept. Kies de boeg vóór het losmaken en spreek de taakverdeling duidelijk af.
Een tweede fout is dat de boot niet goed in de wind ligt. Het grootzeil vangt dan aan één kant wind en de boeg draait al weg voordat er voldoende afstand van de wal is. Controleer de windrichting aan het klapperende grootzeil, het vaantje en de wind in je gezicht. Leg de boot zo nodig opnieuw recht voordat je afduwt.
Ook wordt vaak te veel roer gegeven. De druk op de helmstok neemt dan sterk toe en de boot maakt een grotere bocht dan bedoeld. Begin met kleine bewegingen, kijk wat er gebeurt en corrigeer daarna opnieuw. Rustig sturen is meestal sneller dan een serie enthousiaste noodcorrecties.
Een andere fout is de fok te vroeg bak zetten. Hierdoor valt de boeg snel af terwijl de boot nog dicht bij de steiger ligt. De fok is een hulpmiddel voor het volvallen, geen startpistool. Gebruik hem pas als er voldoende afstand is en alleen wanneer de boot hulp nodig heeft om te draaien.
Ten slotte wordt soms het grootzeil te vroeg aangetrokken. De boot krijgt dan alweer voorwaartse snelheid voordat zij vrij van de wal is of op de juiste koers ligt. Laat de schoot los totdat de draai voldoende is gemaakt en trek het zeil daarna gecontroleerd aan.
Samenvatting
Bij deinzen vaar je gecontroleerd achteruit met de boeg in de wind en de schoten los. Je gebruikt de manoeuvre vooral om bij een hogerwal eerst afstand van de wal of obstakels te maken. Voor Kielboot 2 moet je vooraf de windrichting, vrije ruimte en toekomstige boeg bepalen. De bemanning wordt gelijkmatig verdeeld, de boot wordt recht naar achteren afgezet en de stuurman houdt de helmstok voortdurend onder controle.
Tijdens het achteruitvaren kijk je naar je doel, de omgeving, het zog en de zeilstand. Je corrigeert met kleine roerbewegingen en gebruikt de fok alleen indien nodig om het volvallen te ondersteunen. Zodra de boot op de juiste koers ligt, laat je het grootzeil wind vangen en vaar je beheerst vooruit.
“Wie netjes kan deinzen, hoeft bij het afvaren zelden achteraf terug te krabbelen.”
