snelheid regelen – kb2

Snelheid regelen is meer dan alleen hard of zacht varen. Bij Kielboot 2 leer je de boot precies genoeg vaart te geven voor de situatie: voldoende snelheid om bestuurbaar te blijven, maar rustig genoeg om gecontroleerd aan te leggen, een drenkeling te benaderen of tussen andere boten te manoeuvreren.

Je regelt de snelheid vooral met de stand van de zeilen en, waar mogelijk, met kleine koersveranderingen. Het roer gebruik je om te sturen, niet als handrem. Al voelt een grote ruk aan de helmstok soms indrukwekkend, meestal levert die vooral weerstand, opspattend water en een teleurgestelde boot op.

Waarom is dit belangrijk?

Een kielboot heeft snelheid nodig om bestuurbaar te blijven. Als de boot te langzaam vaart, stroomt er minder water langs het roer en reageert de boot minder goed op de helmstok. Tegelijkertijd wil je bij het aankomen aan hogerwal of tijdens een man-overboordmanoeuvre juist niet met volle vaart op je doel afstormen. Je moet daarom zelfstandig de balans vinden tussen langzaam varen en voldoende bestuurbaarheid houden.

Goede snelheidsregeling geeft rust aan boord. Je hoeft minder plotseling te sturen, de bemanning krijgt tijd om een landvast klaar te maken en je kunt een manoeuvre veilig afbreken wanneer de inschatting niet klopt. Bij Kielboot 2 moet de snelheidsregeling bij het aankomen aan hogerwal duidelijk zichtbaar zijn. Bovendien moet je bij een man-overboordmanoeuvre langzaam kunnen naderen zonder volledig stil te vallen.

Leerdoelen

Na afloop kun je de snelheid van de boot zelfstandig regelen door de schoten te vieren of aan te halen. Je kunt op een aan-de-windse koers ook snelheid verminderen door iets op te loeven en weer snelheid opbouwen door gecontroleerd af te vallen. Je herkent wanneer de boot zo langzaam vaart dat de werking van het roer afneemt en je houdt rekening met de toenemende verlijering.

Je kunt langzaam varen, tijdelijk bijna stil liggen en de boot daarna weer laten aanspringen. Tijdens het aankomen aan hogerwal en bij een man-over-boordsituatie kies je bewust hoeveel snelheid je nodig hebt. Je blijft daarbij vooruitkijken, houdt ontsnappingsruimte en corrigeert rustig wanneer de boot te snel of te langzaam gaat.

Uitleg

Theorie

De zeilen zijn de motor van de boot. Wanneer grootzeil en fok goed staan, leveren ze voortstuwing. Vier je de schoten op een aan-de-windse koers, dan gaan de zeilen eerst bij het voorlijk killen. Vier je verder, dan vangen ze steeds minder wind en neemt de voortstuwing af. Haal je de schoten weer aan, dan vullen de zeilen zich en versnelt de boot.

Snelheid regelen met de schoten werkt het beste op een aan-de-windse of hoog-aan-de-windse koers. Op zo’n koers kunnen de zeilen volledig windvrij worden gemaakt. Vaar je te ruim, dan blijven de zeilen ondanks het vieren wind vangen. De boot blijft dan doorvaren en je kunt de snelheid niet voldoende terugbrengen.

Je kunt de snelheid ook met de koers beïnvloeden. Door iets op te loeven, vaar je scherper tegen de wind in. De zeilen gaan meer killen en de boot vertraagt. Door daarna iets af te vallen en de zeilen weer passend aan te halen, bouw je snelheid op. Dit vraagt kleine, beheerste roerbewegingen. Een groot roerblad dat dwars door het water wordt getrokken remt wel, maar levert weinig elegante bootcontrole op.

Wanneer de snelheid afneemt, neemt ook de werking van het roer af. De boot gaat bovendien meer verlijeren, omdat kiel en roer bij weinig voorwaartse snelheid minder effectief door het water bewegen. Kijk daarom niet alleen naar de boeg, maar ook naar een vast punt op de wal of een boei. Beweegt de boot nog vooruit of schuift hij vooral zijwaarts?

Uitvoering

Kies eerst een rustige aan-de-windse koers en richt de boot op een duidelijk punt. Houd de koers vast en vier het grootzeil en de fok geleidelijk. Kijk hoe het voorlijk begint te killen en voel hoe de druk in de schoten vermindert. De boeggolf wordt kleiner, het geluid van het water langs de romp neemt af en de helmstok voelt minder krachtig aan.

Wil je verder vertragen, laat de zeilen dan meer killen. Controleer tegelijk of de boot nog voldoende snelheid heeft om op het roer te reageren. Voelt de helmstok krachteloos of moet je hem steeds verder opzij houden zonder dat de boot duidelijk draait? Dan vaar je te langzaam. Haal het grootzeil rustig aan of val een klein stukje af om opnieuw snelheid op te bouwen.

Bij het aanspringen haal je de schoten niet in één ruk volledig strak. Laat het grootzeil eerst net genoeg wind vangen om de boot vooruit te trekken. Naarmate de snelheid toeneemt, stel je beide zeilen verder bij. Zo voorkom je dat de boot plotseling sterk helt of meteen oploeft. Het doel is een beheerste versnelling, niet een imitatie van een speedboot.

Bij het aankomen aan hogerwal gebruik je dezelfde techniek. Vaar op een aan-de-windse koers naar het aanlegpunt en controleer eerst of je de zeilen volledig kunt laten killen. Vier om snelheid te verminderen en haal het grootzeil kort aan wanneer je te vroeg dreigt stil te vallen. De boot hoort vlak voor de aangewezen plaats vrijwel stil te liggen. Als door het killen de verlijering te groot wordt en je het doel niet meer veilig kunt bereiken, breek je de manoeuvre af en probeer je het opnieuw.

Veiligheid

Regel je snelheid alleen wanneer je voldoende ruimte en overzicht hebt. Kijk vóór iedere oefening naar andere scheepvaart, obstakels, ondieptes en de beschikbare ontsnappingsruimte. Langzaam varen betekent dat je minder snel kunt uitwijken. Dat vraagt dus juist méér vooruitkijken.

Laat een boot nooit onnodig volledig stilvallen in een druk vaarwater. Bij zeer weinig snelheid kan het roer onvoldoende werken en kan de boot ongecontroleerd verlijeren. Bij een man-over-boordmanoeuvre is langzaam naderen noodzakelijk, maar volledig stilvallen voordat je de drenkeling bereikt is niet de bedoeling.

Zorg dat de schoten vrij kunnen lopen en houd handen uit de buurt van klemmen en blokken. Wikkel een schoot nooit om je hand. Spreek met de bemanning af wie de fok en het grootzeil bedient en geef tijdig aan wanneer er gevierd of aangehaald moet worden.

Bij het aankomen aan de wal blijft het bemanningslid met de landvast zo lang mogelijk laag in de boot. Aan wal stap je via de loefzijde. Spring niet en probeer een te snel naderende kielboot niet met armen of benen tegen te houden. Als je te snel gaat, draai je tijdig weg en maak je een nieuwe poging.

Praktische aandachtspunten

Kijk bij snelheidsregeling steeds naar vier dingen: de koers, de stand van de zeilen, de vaart door het water en de verlijering. Alleen naar het klapperende zeil kijken is niet genoeg. Een boot kan bijna stil lijken te liggen en ondertussen vrolijk zijwaarts richting boei, wal of instructeursboot schuiven.

Luister naar de boot. Bij een hogere snelheid hoor je meer water langs de romp en ontstaat een duidelijkere boeggolf. Tijdens het vertragen wordt dat geluid zachter. Ook de druk op de grootschoot en helmstok neemt af. Herken je dit op het water? Kun je zonder naar de wal te kijken voelen of de boot versnelt of vertraagt?

Een goede oefening is om op een gestrekte aan-de-windse koers langs een boei te varen. Probeer eerst op constante snelheid te varen. Vier daarna geleidelijk tot de boot heel langzaam vooruitgaat en haal vervolgens weer aan om aan te springen. Herhaal de oefening met iets verschillende koersen. Je zult merken dat volledig vertragen moeilijker wordt wanneer je te ruim vaart.

Een tweede oefening is snelheid regelen met de koers. Vaar hoog aan de wind en loef een klein stukje op om af te remmen. Val vervolgens beheerst af om weer vaart te maken. Houd de roerbeweging klein en kijk hoeveel vertraging je met een minimale koersverandering kunt bereiken. De kunst is niet om de boot stil te wurgen, maar om hem rustig te laten luisteren.

Observatiepunten tijdens de praktijk

De instructeur let erop of je de windrichting en de aan-de-windse koers goed herkent. Vervolgens kijkt de instructeur of je bewust kiest tussen regelen met de schoot en regelen met de koers. De schoten moeten soepel worden gevierd en aangehaald, terwijl de boot op de bedoelde koers blijft varen.

Ook wordt gelet op je waarneming. Zie je wanneer beide zeilen killen? Merk je dat de boot meer gaat verlijeren als de snelheid terugloopt? Herken je het moment waarop het roer minder effectief wordt? Een goede uitvoering is te zien aan kleine, tijdige correcties. Je hoeft dan niet plotseling hard aan de schoot te trekken of een grote ruk aan de helmstok te geven.

Bij het aankomen aan hogerwal moet duidelijk zichtbaar zijn dat je de snelheid actief regelt. Je controleert of de zeilen volledig kunnen killen, nadert op een geschikte aan-de-windse koers en houdt voldoende snelheid om bestuurbaar te blijven. De boot ligt vlak voor het aanlegpunt vrijwel stil en het bemanningslid kan rustig aan wal stappen.

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is proberen af te remmen op een te ruime koers. Je viert de schoten, maar het grootzeil blijft wind vangen. De boot vermindert nauwelijks snelheid en de wal wordt snel groter. Controleer daarom vroeg of je voldoende scherp aan de wind vaart om de zeilen volledig te kunnen laten killen.

Een tweede fout is te vroeg alle snelheid verliezen. De zeilen klapperen volledig, de boot gaat sterk verlijeren en de helmstok lijkt opeens vooral decoratie. Houd tijdens het vertragen altijd een kleine hoeveelheid voorwaartse snelheid. Dreig je stil te vallen, haal dan het grootzeil kort aan of val een klein stukje af.

Sommige cursisten gebruiken het roer als rem. Ze geven een grote roeruitslag, waarna de boot wel vertraagt maar ook van koers verandert. Bovendien veroorzaakt het roer extra weerstand. Regel de snelheid daarom eerst met de zeilen en de koers. Gebruik het roer vooral om de gewenste richting vast te houden.

Ook zie je vaak dat bij het aanspringen de grootschoot direct volledig wordt aangetrokken. De boot helt, loeft op en versnelt niet netjes in de gekozen richting. Bouw de druk geleidelijk op en pas de fok en het grootzeil aan de toenemende snelheid aan.

Ten slotte kijken cursisten soms uitsluitend naar het doel. De boei of steiger komt keurig dichterbij, maar de zeilstand, verlijering en andere scheepvaart verdwijnen uit beeld. Maak daarom steeds dezelfde kijkronde: verkeer, wind, koers, zeilen, snelheid en doel. Daarna opnieuw. Een goede stuurman heeft geen tunnelvisie, zelfs niet als de steiger koffie belooft.

Samenvatting

Bij Kielboot 2 regel je de snelheid vooral met de zeilen en met kleine veranderingen van de aan-de-windse koers. Vieren en meer laten killen betekent minder voortstuwing. Aanhalen en iets afvallen geeft de boot weer snelheid. Daarbij houd je altijd voldoende vaart om bestuurbaar te blijven en let je op de toenemende verlijering.

Goede snelheidsregeling is zichtbaar aan rustige handelingen, kleine roerbewegingen en tijdige correcties. Je kunt langzaam varen, bijna stil liggen en daarna gecontroleerd aanspringen. Deze vaardigheid gebruik je onder meer bij het aankomen aan hogerwal en tijdens de man-over-boordmanoeuvre.

“Een goede zeiler weet niet alleen hoe je vaart maakt, maar vooral hoeveel vaart je nodig hebt.”