Aan boord gebruiken we vaste vaartermen om snel en duidelijk met elkaar te communiceren. Bij Kielboot 1 leer je woorden waarmee je de plaats op de boot, de windrichting, de zeilkoers en de belangrijkste manoeuvres kunt beschrijven. Als de instructeur zegt: “We varen halve wind, loef iets op en maak je klaar om te wenden”, wil je tenslotte niet eerst een woordenboek uit het vooronder halen.
De belangrijkste termen voor Kielboot 1 zijn: hogerwal, lagerwal, bakboord, stuurboord, hoge en lage zijde, loef en lij, in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind, voor de wind, oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen, een huidige of intussen gezette kruisrak varen en het killen van het zeil.
Waarom is dit belangrijk?
Goede vaartermen zorgen ervoor dat iedereen aan boord dezelfde taal spreekt. “Ga naar links” kan verwarrend zijn als de ene persoon naar voren kijkt en de andere naar achteren. “Ga naar bakboord” blijft altijd duidelijk, ongeacht waar je staat of welke kant je op kijkt.
De termen helpen je ook om de wind te begrijpen. Als je weet waar loef en lij zijn, kun je gemakkelijker bepalen waar je moet zitten, waar het zeil naartoe beweegt en welke kant de boot waarschijnlijk op draait. De namen van de koersen vertellen vervolgens hoe de boot ten opzichte van de wind ligt en hoe ruim of strak de zeilen ongeveer moeten staan.
Duidelijke taal is bovendien een belangrijk onderdeel van de veiligheid. Bij een overstag of gijp moet de bemanning direct begrijpen wat er gaat gebeuren. Een kort commando is dan veel bruikbaarder dan een lang verhaal terwijl de giek al onderweg is.
Leerdoelen
Na afloop kun je bakboord en stuurboord aanwijzen terwijl je met de vaarrichting meekijkt. Je kunt herkennen waar de loefzijde en lijzijde van de boot zijn en je kunt uitleggen waarom deze zijden veranderen wanneer de wind van de andere kant binnenkomt.
Je kunt hogerwal en lagerwal herkennen en de vijf basisposities ten opzichte van de wind benoemen: in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind en voor de wind. Ook begrijp je de basismanoeuvres oploeven, afvallen, overstag gaan, gijpen en opkruisen. Ten slotte kun je herkennen wanneer een zeil kilt en weet je dat dit informatie geeft over de koers of zeilstand.
Uitleg
Theorie
Bakboord en stuurboord zijn de vaste namen voor de twee zijden van de boot. Kijk je vanaf het achterschip in de vaarrichting, dan is bakboord links en stuurboord rechts. De zijden veranderen dus niet wanneer jij je omdraait. Je eigen links en rechts draaien mee, maar de boot doet daar gelukkig niet aan mee.
Loefzijde, ook wel de hoge zijde genoemd, is de zijde waar de wind de boot binnenkomt. Lijzijde, of lage zijde, is de kant waar de wind de boot verlaat. Tijdens het zeilen staat het grootzeil gewoonlijk aan lij. Loef en lij zijn dus afhankelijk van de windrichting en kunnen na een overstag of gijp van kant wisselen.
Hogerwal is de wal waar de wind vandaan komt. Lagerwal is de wal waar de wind naartoe waait. Aan hogerwal waait de wind van de kant richting het water. Aan lagerwal word je juist door de wind naar de wal toe gedrukt. Je kunt dit vaak herkennen aan vlaggen, golfjes en de wind die je langs je gezicht voelt.
Een koers beschrijft hoe de boot ten opzichte van de wind vaart. Voor Kielboot 1 onderscheiden we de volgende basisposities:
In de wind betekent dat de boeg recht naar de wind wijst. De zeilen vangen dan geen voortstuwende wind, gaan klapperen en de boot verliest snelheid. Het is daarom geen blijvende zeilkoers.
Aan de wind betekent dat je schuin tegen de wind in vaart. De schoten staan relatief strak. Stuur je te ver naar de wind toe, dan gaan de zeilen killen en wordt de boot langzamer.
Halve wind betekent dat de wind ongeveer dwars van opzij komt. De zeilen kunnen verder worden gevierd dan op een aan-de-windse koers.
Ruime wind betekent dat de wind schuin van achteren komt. De zeilen staan verder naar buiten.
Voor de wind betekent dat de wind recht van achteren komt. Het grootzeil staat ver uit en de fok kan achter het grootzeil zijn wind verliezen. Op deze koers moet je opletten dat je niet ongemerkt te ver afvalt en een onverwachte gijp veroorzaakt.
Oploeven is met de boeg naar de wind toe draaien. Terwijl je oploeft, haal je de zeilen geleidelijk aan. Afvallen is met de boeg van de wind afdraaien. Daarbij worden de zeilen gevierd. Een handige geheugensteun is: oploeven is hoger varen en afvallen is lager of ruimer varen.
Overstag gaan is van een aan-de-windse koers over de ene boeg naar een aan-de-windse koers over de andere boeg draaien. De boeg gaat daarbij door de wind en de zeilen wisselen van zijde. De manoeuvre wordt ook wel wenden genoemd.
Gijpen is van voor de wind over de ene boeg naar voor de wind over de andere boeg draaien. Hierbij gaat het achterschip door de wind en komt het grootzeil naar de andere zijde. Omdat de giek daarbij kan overkomen, moet de bemanning vooraf worden gewaarschuwd en moet de manoeuvre gecontroleerd worden uitgevoerd.
Opkruisen, ook wel laveren genoemd, gebruik je om een bovenwinds gelegen punt te bereiken. Omdat een zeilboot niet recht tegen de wind in kan varen, zeil je afwisselend aan de wind over bakboord en stuurboord. Tussen de slagen door ga je overstag. Een kruisrak is het gedeelte van de route waarop je op deze manier tegen de wind in vaart.
Killen betekent dat het voorste gedeelte van een zeil begint te klapperen of tegen te bollen doordat het zeil geen goede winddruk heeft. Dat kan gebeuren doordat het zeil te ver is gevierd of doordat je te ver naar de wind toe stuurt. Een licht killend voorlijk is ook bruikbaar om de juiste zeilstand te vinden: laat het zeil vieren tot het net begint te killen en haal het daarna een klein stukje aan.
Uitvoering
Begin op het water steeds met het bepalen van de windrichting. Kijk naar het vaantje, vlaggen en de rimpels op het water. Draai daarna je gezicht rustig naar de wind. Wanneer je de wind gelijk langs beide oren voelt, kijk je ongeveer in de richting waar hij vandaan komt. Wijs vervolgens loef, lij, hogerwal en lagerwal aan.
Vaar daarna een eenvoudig rondje door de windroos. Begin bijvoorbeeld halve wind. Loef rustig op richting aan de wind en haal de schoten geleidelijk aan. Stuur vervolgens terug, val af naar halve wind en vier de schoten. Val nog wat verder af naar ruime wind. Zo koppel je ieder woord direct aan het gevoel in de boot.
Let daarbij op de veranderingen. Op aan de wind staat de giek dichter bij het midden en kan de boot meer hellen. Op halve wind komt de wind van opzij. Op ruime wind gaat de giek verder naar buiten en voelt de wind meer alsof hij van achteren komt. Voor de wind kan de fok zijn wind verliezen en onrustig worden. Dat zijn allemaal signalen waarmee je de koers kunt herkennen.
Oefen manoeuvretermen pas nadat je de richting begrijpt. Draai je naar de wind toe, benoem dan zelf: “Ik loef op.” Draai je van de wind af, zeg dan: “Ik val af.” Ga je met de boeg door de wind van de ene aan-de-windse koers naar de andere, dan ga je overstag. Komt het grootzeil op een voor-de-windse koers naar de andere kant, dan gijp je.
Veiligheid
Gebruik de termen rustig en duidelijk. Bij een manoeuvre is één helder commando beter dan drie verschillende aanwijzingen tegelijk. Vooral bij een gijp moet iedereen weten dat de giek kan overkomen. Kijk daarom eerst of de ruimte vrij is, waarschuw de bemanning en houd controle over de helmstok en grootschoot.
Blijf tijdens oefeningen niet alleen naar het zeil kijken. Controleer ook het vaarwater, andere schepen en de oever. Een correct benoemde ruimewindse koers is nog steeds geen succes wanneer de boot ondertussen de rietkraag inspecteert.
Weet je een term niet zeker, beschrijf dan eerst wat je ziet. “De boeg draait naar de wind toe” is beter dan zelfverzekerd het verkeerde woord roepen. Daarna kun je daar samen met de instructeur de juiste term aan koppelen.
Praktische aandachtspunten
Leer de woorden in kleine groepen. Begin met bakboord en stuurboord. Voeg daarna loef en lij toe. Oefen vervolgens de vijf koersen en sluit af met de manoeuvres. Te veel termen tegelijk leren verandert een ontspannen zeilles al snel in nautische bingo.
Koppel iedere term aan iets wat je kunt zien of voelen. Bij loef voel je de wind binnenkomen. Aan lij zie je meestal het grootzeil. Bij oploeven komen de zeilen dichter bij het midden van de boot. Bij afvallen gaan ze verder naar buiten. Bij killen hoor je het doek klapperen en voel je vaak dat de druk in de schoot afneemt.
Een leuke oefening is de instructeur een punt op de wal te laten aanwijzen. Jij benoemt welke koers je daarheen kunt varen en of je moet oploeven, afvallen of overstag gaan. Daarna voer je het uit. Zo worden de termen geen losse woorden, maar hulpmiddelen om de boot te besturen.
Observatiepunten tijdens de praktijk
De instructeur let erop of je bakboord en stuurboord bepaalt terwijl je met de vaarrichting meekijkt. Ook wordt gekeken of je loef en lij vanuit de wind beredeneert en niet verwart met vaste zijden van de boot.
Bij het varen let de instructeur erop of je de koersen niet alleen kunt opnoemen, maar ook kunt herkennen. Kijk je naar de wind, de stand van de giek, het gedrag van de fok en het killen van het voorlijk? Kun je voorspellen welke koers volgt wanneer je verder oploeft of afvalt?
Zelf let je op het geluid van de zeilen, de druk in de schoten en het gevoel aan het roer. Begint het voorlijk te klapperen terwijl je naar de wind toe draait, dan kom je te hoog. Gaat de giek verder naar buiten en komt de wind meer van achteren, dan vaar je ruimer. Valt de fok weg voor het grootzeil, dan nader je de voor-de-windse koers. Herken je deze signalen zonder steeds naar het vaantje te kijken?
Een goed resultaat is bereikt wanneer je een koers kunt benoemen, de volgende koers kunt voorspellen en weet welke beweging daarbij hoort. Je hoeft nog geen wandelende zeilencyclopedie te zijn. Je moet vooral begrijpen wat de woorden op het water betekenen.
Veelgemaakte fouten
Een bekende fout is bakboord en stuurboord bepalen vanuit de richting waarin je zelf kijkt. Daardoor wisselen de zijden zodra je je omdraait. Kijk voor de bepaling altijd met de vaarrichting mee: bakboord links en stuurboord rechts.
Loef en lij worden soms als vaste kanten van de boot onthouden. Dat klopt niet. Loef is waar de wind binnenkomt en lij is waar hij de boot verlaat. Na een overstag wisselen deze zijden. Kijk dus eerst naar de wind.
Ook worden oploeven en overstag gaan regelmatig door elkaar gehaald. Een kleine draai naar de wind toe is al oploeven. Pas wanneer de boeg door de wind draait en je op de andere boeg verdergaat, spreek je van overstag gaan. Hetzelfde geldt voor afvallen en gijpen: iedere draai van de wind af is afvallen, maar pas wanneer het zeil op een voor-de-windse koers naar de andere zijde overgaat, gijp je.
Een andere fout is denken dat een klapperend zeil altijd betekent dat de schoot verder moet worden aangetrokken. Het zeil kan ook killen omdat je te hoog naar de wind stuurt. Kijk daarom zowel naar de zeilstand als naar de koers. Soms moet de schoot iets aan, maar soms moet de boot juist een stukje afvallen.
Tot slot leren cursisten de termen soms keurig uit het hoofd zonder ze op het water te herkennen. Zeg daarom tijdens het varen regelmatig hardop wat je doet: “Ik vaar halve wind, ik loef op naar aan de wind, het zeil moet iets aan.” Dan worden de woorden gekoppeld aan beweging, geluid en gevoel.
Samenvatting
Bij Kielboot 1 leer je de basistaal waarmee je de boot, de wind en je manoeuvres beschrijft. Bakboord en stuurboord zijn vaste zijden van de boot. Loef en lij worden bepaald door de wind. Hogerwal ligt aan de kant waar de wind vandaan komt en lagerwal aan de kant waar de wind naartoe waait.
De basisposities ten opzichte van de wind zijn in de wind, aan de wind, halve wind, ruime wind en voor de wind. Naar de wind toe draaien heet oploeven en van de wind afdraaien heet afvallen. Bij overstag gaat de boeg door de wind, terwijl bij een gijp het achterschip door de wind gaat en het grootzeil naar de andere zijde overkomt. Opkruisen betekent dat je met opeenvolgende aan-de-windse slagen en overstagmanoeuvres een bovenwinds punt bereikt. Een killend zeil vertelt je dat de combinatie van koers en zeilstand aandacht nodig heeft.
“Wie de zeiltaal spreekt, hoeft aan boord maar weinig woorden vuil te maken.”
